Groningen

Afgerond onderzoek naar begraafplaatsen in Groningen

Bellingwolde – Groningen
De Joodse bevolking te Bellingwolde vormde 1 gemeente met die van Nieuweschans, die tegen het einde van de 19e eeuw een honderd leden telde, waarvan een derde te Bellingwolde woonde. Na deze periode ging het aantal aldaar wonende Joden sterk achteruit.

Tot 1821 was de gemeente -samen met Oudeschans- een kleine gemeente op zichzelf, die zelfs op het einde van de 18e eeuw een rabbijn in haar midden had.

Onder de Joodse families waren er veel slagers.

De stenen zijn heden ten dage sterk verweerd, maar konden met behulp van het boek van de Vey Mestdagh Stichting alle geïdentificeerd worden.
De 14 geïdentificeerde begravenen behoren hoofdzakelijk tot de families Levitus, Hoogstraal, Mosbach, Arons en Braaf.

[ Bronnen: website Geschiedenis van de joden in Groningen & Joods Nederland – een cultuurhistorische gids van Jan Stoutenbeek en Paul Vigeveno ]
Bourtange – Groningen
In de jaren veertig van de achttiende eeuw wordt er voor het eerst melding gemaakt van joodse inwoners in Bourtange.
Organisatorisch behoorden zij tot de joodse gemeente Pekela.

Rond 1835 ontstaat in Bourtange een zelfstandige joodse gemeente, die de beschikking heeft over een kleine synagoge.

Tussen 1840 en 1895 werd er gebruik gemaakt van een eerste begraafplaats alwaar nog negen zerken staan 7 van de 9 zerken zijn terug te voeren naar de families Frank en de Beer, of hun aangetrouwden.

In het gehucht Hebrecht, halverwege Vlagtwedde en Bourtange werd vanaf 1897 begraven.

De joodse gemeente in Bourtange was op haar hoogtepunt aan het einde van de negentiende eeuw, daarna liep het aantal joodse inwoners langzaam terug.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn bijna alle joodse inwoners naar Polen gedeporteerd.
Slechts een enkeling kon onderduiken en heeft zo de oorlog overleefd.

De gemeente Sellingen zorgt voor het onderhoud van de joodse begraafplaatsen bij Bourtange en Vlagtwedde.

[ Bron: website van het Joods Historisch Museum (aangepast) ]
Grijpskerk – Groningen
De Joodse gemeente van Grijpskerk werd pas laat, in 1879, erkend. In datzelfde jaar werd de synagoge aan de Molenstraat ingewijd. Voordien werden de godsdienstoefeningen gehouden in een voorkamer van een woning die ook aan de Molenstraat lag. In de volksmond werd deze ruimte ‘de jeudnkoamer’ genoemd. De Lageweg stond bekend als ‘Jeudnbreestraat’.

In 1881 kregen de Joden van Grijpskerk de beschikking over een gedeelte van de Algemene Begraafplaats om hun doden te begraven. Rond die tijd telde het dorp vier Joodse slagers, van wie sommigen ook in vee handelden. Andere Joodse inwoners hielden zich bezig met de handel in manufacturen.

Tijdens de bezetting werden bijna alle Joodse inwoners van Grijpskerk gedeporteerd en omgebracht. Na de oorlog is de synagoge niet meer gebruikt. Het interieur was vrijwel geheel verloren gegaan.

In 1948 is de Joodse gemeente van Grijpskerk officieel opgeheven en bij die van Groningen gevoegd. Het Joodse gedeelte van de Algemene Begraafplaats wordt onderhouden door de plaatselijke gemeente. Op de begraafplaats bevindt zich een gedenksteen voor de Joodse slachtoffers van de Duitse terreur.

Het aantal Joden in Grijpskerk en omgeving groeide van 15 in het jaar 1809 tot 52 in het jaar 1869 en daalde daarna weer: in 1930 waren er nog 19 Joden in Grijpskerk.

De namen van de 20 grafstenen vertegenwoordigen hoofdzakelijk 2 families: Israels(7) en Gans (7).
Onder de overige stenen zijn ook weer aangetrouwden van deze 2 families te vinden.
Ook trouwden deze families onderling.

[ Bronnen: Pinkas, geschiedenis van de Joodse gemeenschap in Nederland, Michman, Beem, Michman , Kluwer / NIK / Joods Historisch Museum 1985 en daaruit overgenomen op http://www.jhm.nl (ingang Nederland) ]

Uitgebreidere informatie is te vinden in:
De Joodse Gemeenschap in het Groninger Westerkwartier, Peize en Roden, drs. G.J. van Klinken, mr J.H. de Vey Mesdagh, uigegeven door Stichting Vrienden van het Rijksarchief in Groningen, Groningen 1985.
Tevens: genealogische samenvatting van de begraafplaats.
Leek – Groningen
In 1705 wordt melding gemaakt van Levi Arents op de Leeck die in hoger beroep ging tegen een vonnis. Dit is de vroegste vermelding van een Jood in dit dorp dat toen al honderden jaren bestond. Rond die tijd vestigden zich voor het eerst Joden in Leek. In de tweede helft van de18e eeuw nam hun aantal toe, voornamelijk door de komst van Joodse marskramers en veehandelaren uit Duitsland. In 1808 werd aan het Boveneind een synagoge gebouwd, die in 1811 ingewijd werd. Precies een eeuw later verrees op dezelfde plek een nieuwe synagoge. De Joden van Leek waren vooral kooplieden, slagers (1 grote exportslachterij), en veehandelaren.

Achter de huidige Roomsterstraatweg in het gehucht Diepswal was vanaf 1783 een Joodse begraafplaats in gebruik, die in 1790 officieel werd aangekocht. Hier werden ook Joden begraven uit omliggende plaatsen waar geen eigen Joodse begraafplaats was. Aan het Boveneind in Leek stond dicht bij de synagoge ook het Joodse schooltje. Een conflict tussen leden van de Joodse gemeente leidde in 1905 tot een scheuring, waarna een afgescheiden gemeente gedurende enkele jaren eigen synagogediensten hield. Het aantal Joodse armen in de plaats was zo groot dat er in 1910 een opvanghuis voor armen, waaronder vooral ouden van dagen, werd opgericht. Naast het kerkbestuur en de kerkenraad waren in Leek verscheidene verenigingen en genootschappen actief, waaronder studie- en liefdadigheidsverenigingen voor mannen, een vrouwengenootschap ter verzorging van zieken en een vereniging voor ongehuwden, die zich bezighield met vormende maatschappelijke activiteiten. In het begin van de twintigste eeuw bestond er in Leek een Joods koor en vlak voor de Duitse inval werd door de toenmalige voorganger K. Elburg nog een jeugdvereniging opgericht. Gedurende de oorlogsjaren zijn bijna alle Joden van Leek gedeporteerd en omgekomen. Slechts enkelen (waaronder voorganger Elburg en zijn gezin) hebben door onder te duiken weten te overleven en vertrokken naar andere plaatsen in Nederland en naar Israel. De synagoge en de voormalige Joodse school die ongeschonden gebleven waren, werden verkocht en kregen na de oorlog profane bestemmingen. De Torarollen waren bijtijds naar Amsterdam overgebracht. De begraafplaats wordt door de plaatselijke overheid onderhouden. Het voormalige Joodse schooltje, afgebroken en op een andere plaats herbouwd, is sinds 1995 een beschermd monument, dat dienst doet als educatief centrum. Op de school is een plaquette aangebracht met de namen van de 61 weggevoerde en vermoorde Joodse inwoners van Leek.

In januari 2006 zijn enkele grafstenen die jaren in brokstukken in metaheerhuisje hebben gelegen, gerenoveerd en teruggeplaatst op de Joodse begraafplaats in Diepswal.

De 95 matsevoth op de begraafplaats zijn terug te voeren naar een relatief klein aantal families en gezinnen, die, als aangegeven in de genealogische gegevens, ook weer veel onderlinge verwantschap vertonen.

De helft (48 stenen) dragen de namen van slechts 6 families (Aptroot, van Dam, Israels, Lehmans, Levie-Levij en Wijnberg).

[ Bronnen:
– Pinkas, geschiedenis van de Joodse gemeenschap in Nederland, Michman, Beem, Michman , Kluwer / NIK / Joods Historisch Museum 1985 en overgenomen op http://www.jhm.nl (ingang Nederland ).

De beroepen zijn overgenomen uit de volgende bron, waar veel en uitgebreide informatie is te vinden:
De Joodse Gemeenschap in het Groninger Westerkwartier, Peize en Roden, drs. G.J. van Klinken, mr J.H. de Vey Mesdagh, uitgegeven door Stichting Vrienden van het Rijksarchief in Groningen, Groningen 1985 – ISBN 90-800057-2-X ]
Leens – Groningen
De eerste Joden vestigden zich in de tweede helft van de achttiende eeuw in Ulrum en Leens.
Aanvankelijk ressorteerde de Joodse gemeenschap van de dorpen onder Winsum.
In 1806 werd er in Leens een gebouw aangekocht dat dienst ging doen als synagoge voor de Joden van Ulrum-Leens en van de omliggende dorpen.
In 1877 werd Ulrum-Leens een zelfstandige gemeente, tien jaar later werd aan de Julianastraat een nieuwe synagoge ingewijd.

Van de openbare begraafplaats werd een deel aan de Joden toegewezen, de burgerlijke gemeente droeg zorg voor de gehele begraafplaats.
Het merendeel van de Joodse inwoners van de streek was werkzaam in de kleinhandel.
Door de ontwikkeling van de industrie en de grotere mobiliteit liep deze handel gestaag terug.

In het laatste decennium van de negentiende eeuw trokken veel Joden naar de grote steden, waardoor ook in Ulrum-Leens de Joodse gemeente in omvang afnam.
Tijdens de bezetting zijn alle nog in de plaats woonachtige Joden gedeporteerd en vermoord.
Het synagogegebouw werd gedurende de bezetting zwaar beschadigd, wat er met het interieur is gebeurd is niet bekend.
Na de oorlog is het gebouw een woonhuis geworden. De Joodse gemeente werd in 1947 bij die van Groningen gevoegd.

Aantal Joden in Ulrum-Leens en omgeving:
1809 18
1840 26
1869 40
1899 45
1930 20

[ Bron: website Joods Historisch Museum ]
Loppersum en Stedum – Groningen
Gedurende de zeventiende eeuw en de eerste helft van de achttiende eeuw wordt er sporadisch melding gemaakt van Joodse aanwezigheid in en rond de dorpen Stedum en Loppersum. Na 1750 vestigen zich de eerste Joden met hun gezinnen blijvend in de streek. Onder hen waren twee vleeshouwers.

Aanvankelijk kwamen de Joden voor hun godsdienstoefeningen zonder officiele vergunning bijeen in een prive-woning in Middelstum. Vanaf het begin van de negentiende eeuw werden er met toestemming van de plaatselijke autoriteiten diensten gehouden in een huis in Stedum.

De Joodse gemeente was tot 1821 zelfstandig en omvatte ook de dorpen rond Uithuizen. Tussen 1821 en 1830 werd Stedum en Loppersum een onderdeel van de Ringsynagoge van Appingedam, maar de gemeente behield een eigen bestuur. In 1830 werd de Joodse gemeente Stedum en Loppersum opnieuw een zelfstandige Bijkerk.

Waar de huissynagoge stond die rond het midden van de negentiende eeuw in gebruik was, is niet bekend. Vanaf de negentiger jaren diende een gebouw aan de weg naar Bedum als synagoge. Gedurende de gehele periode waarin er Joden in Stedum en Loppersum woonden werd Joods onderwijs gegeven. In het begin van de twintigste eeuw kwam hieraan een einde.

Tot 1863 werden de doden begraven op de Joodse begraafplaats van Appingedam. In dat jaar werd een stuk grond gepacht op de hoek van de Molenweg en de Schepperij in Loppersum en als begraafplaats ingericht. Deze was tot 1886 in gebruik, daarna kregen de Joden een deel van de Algemene Begraafplaats aan de Tuinbouwstraat toegewezen.

De meeste Joden waren werkzaam in de vleeshouwerij, de veehandel en andere handel en, in mindere mate, als kleermakers, stoffeerders en naaisters. In 1906 werd de vereniging Help Elkaar opgericht. De Joodse gemeente was in de eerste decennia van de twintigste eeuw al zo klein geworden, dat er alleen op de Hoge Feestdagen en bij speciale gelegenheden synagogediensten gehouden werden. Toch werd er nog in 1922 een nieuw reglement opgesteld, en werd de synagoge drie jaar later nog gerestaureerd.

Gedurende de bezetting is vrijwel de voltallige Joodse bevolking van Stedum en Loppersum gedeporteerd en vermoord. Na de oorlog is de Joodse gemeente opgeheven en in 1948 bij die van Groningen gevoegd. Het synagogegebouw werd verkocht en kreeg een andere bestemming. De gevelsteen, die na de restauratie van 1925 was aangebracht, werd bevestigd aan de toren van de hervormde kerk in Stedum.
De gevelsteen, waarvan op de aangegeven bron (website van het Joods Historisch Museum) een foto is geplaatst, geeft in de tekst de getallen waarde van het jaar der restauratie:-5685, oftewel het burgelijk jaar 1925.

De plaatselijke autoriteiten dragen tegenwoordig de zorg voor Joodse begraafplaats.

[ Bron: Joods Historisch Museum ]
Uithuizen – Groningen
De kille Uithuizen bevatte ook Kantens, Uithuizermeeden, Usquert en ’t Zandt.

In 1620 gaat het gerucht dat enkele Joden zich in Uithuizen willen vestigen; de classis van de Calvinistische Kerk verhindert dit na vele protesten.
In het Noorden is men in de Republiek nog niet zo tolerant.
Latere bronnen – uit 1738 – vermelden Joden, die handel in vee en vlees drijven.
Eigenlijk betreft dat 1 grote familie; ook in Usquert huisden Joden – in 1810 10 personen -, maar deze hadden meer affiniteit met Warffum, dat dichterbij ligt en waar ook velen van hen zijn begraven.
In 1890 is het aantal Joden het hoogst, daarna neemt het in snel tempo af.

Men hield zijn godsdiensten in een speciaal daartoe gehuurd huis; pas in 1887 wordt een synagoge gebouwd, die in 1930 op afbraak wordt verkocht en in 1932 inderdaad wordt afgebroken.
In 1912 wonen nog 9 gezinnen, bestaande uit 34 personen in Uithuizen

De Joodse gemeenschap van Uithuizen was klein, maar zelfstandig als bijkerk onder ringsynagoge Appingedam. Met het opheffen van de Joodse gemeenschap van Appingedam, werd ook de Joodse gemeenschap van Uithuizen na de Tweede Wereldoorlog officieel opgeheven en bij Groningen gevoegd.

Tot in de tweede helft van de negentiende eeuw gebruikten de Joden in Uithuizen de Joodse begraafplaats in Appingedam.
Dat betekende een tocht van ca. 20 km over nauwelijks gebaande wegen.
Met name in de winter was dit bijna niet te doen.
Daarom vroeg de gemeente toestemming een eigen begraafplaats te stichten.

Op de begraafplaats aan de Hoofdstraat staan nu nog 24 stenen.
De begraafplaats is een stuk van de Algemene Begraafplaats, in 1864 afgestaan.
Veel grafschriften dragen uitsluitend Hebreeuwse teksten.

[ Bronnen:
http://www.historiejoodsgroningen.nl/

Gemaakt door G.F.H. Harkema-Lentz, d.d. september 2011. Primaire bron: J.H. de Vey Mestdagh, J. Dijkstra en E. Schut,
“Joden in Noord-Oost Groningen”,
Publicatie Stichting Vrienden van het Rijksarchief in GroningenGroningen 1980, pagina 503 t/m 517 ]
Vlagtwedde – Groningen
De Joodse begraafplaats van Vlagtwedde bevond zich in het nabij gelegen gehucht Hebrecht. Deze begraafplaats was eigendom van de Joodse gemeente van Bourtange.
De grond voor de begraafplaats aan de Stobben werd in 1892 aangekocht. In 1895 werd Vlagtwedde als zelfstandige Joodse gemeente erkend.
Er was aanvankelijk nogal wat strijd tussen de Joodse gemeenschappen van Vlagtwedde en Bourtange, maar uiteindelijk begroeven beide gemeenten hier hun overledenen. De Joden van Bourtange hadden wel een eigen Joodse begraafplaats, maar deze was ongeschikt om doden te begraven door de moerasachtige ondergrond. Op de begraafplaats staan 26 stenen, maar er zijn met zekerheid meer mensen begraven. [Bron: Wikipedia ]
Digitaal gepubliceerd nieuws gaf nog de volgende informatie:

a) Ongeveer in 2015 moet er nog een begrafenis plaats hebben gevonden, zodat er nu 27 stenen zijn.
Deze steen is niet gefotografeerd en niet opgenomen in het Stenen Archief en verdere details zijn onbekend.

b) In juli 2019 vond er een ernstige grafschennis van de begraafplaats plaats, waarvan de daders of de motivatie niet werden achterhaald. De politie staakte daarom het onderzoek.

Het graf van Roosien Sachs (131)20 werd het ernstigste getroffen en diep uitgegraven.
Gedane schade werd inmiddels hersteld.

[Bronnen: Dagblad van het Noorden / Jonet.nl ]
Warffum – Groningen
Warffum is een dorp in het noorden van de provincie Groningen. De eerste Joodse familie vestigde zich eind 18e eeuw in het dorp.
Evenals de families die zich later in de plaats vestigden, vormden de handel in vee en vlees de voornaamste bronnen van bestaan.

Gedurende de 19e eeuw nam het aantal Joodse inwoners van het dorp maar mondjesmaat toe, van acht personen in 1813 tot op z’n hoogst 47 in 1899.
Na eind 19e begin 20ste eeuw kwam een terugval van het aantal Joden. In 1930 telde het dorp nog slechts zestien Joodse inwoners.

Aanvankelijk ressorteerden de Joden van het dorp onder de Joodse Gemeente Appingedam.
Bij een nieuwe indeling in 1816 maakten de Warffumer Joden deel uit van de ringsynagoge Winsum.
Vanwege de voor die dagen relatief grote afstand tussen beide plaatsen waren de Warffumer Joden met deze nieuwe indeling niet tevreden.

Het bezoeken van de synagoge in Winsum kostte hen te veel tijd. Ze probeerden dan ook herhaaldelijk om te komen tot de vorming van een zelfstandige Joodse Gemeente.
Toen in het midden van de 19e eeuw hun aantal dermate was toegenomen dat ze minjan konden vormen hielden ze hun godsdienstoefening in een gehuurde ruimte in het dorp Warffum.
Later stichtten ze een begraafplaats.

Voor religieus onderwijs aan de kinderen deden ze een beroep op de in Uithuizen werkzame godsdienstonderwijzers.
Ook de Joden uit het nabijgelegen Usquert, formeel deel uitmakende van de Joodse Gemeente Uithuizen, bezochten in Warffum de synagoge.

In de herfst van 1942 tenslotte zijn vrijwel alle Joodse inwoners van Warffum gedeporteerd en omgekomen in de vernietigingskampen.

Ter herinnering aan de weggevoerde Joden van het dorp is op de openbare begraafplaats in mei 1948 een monument onthuld met daarop de namen van de 22 omgekomen Joden.

[ Ontleend aan http://www.jodeningroningen.nl/nl/joodsegemeentes/warffum/geschiedeniswarffum/ ]

Van de 30 grafstenen vormen de families van Dam, (14 in totaal) (9 met de naam van Dam en 5 partners van van Dam’s) en van der Hal (9 in totaal, 6 stenen met de naam van der Hal en 3 partners van van der Hal’s) de overgrote meerderheid.

Drie grafstenen (nr.26 en 27, als ook 25) zijn indrukwekkend door hun opvallend rijke en poetische stijl van de Hebreeuwse tekst.
Hierdoor wordt door deze kleine begraafplaats, gelegen in de uithoek van de provincie Groningen, een bijzondere bijdrage geleverd aan het cutureel erfgoed van het Nederlandse Jodendom in de mediene, door het Stenen Archief in kaart gebracht.
Winsum – Groningen
Aan het einde van de achttiende eeuw vestigden de eerste Joden zich in Winsum.
Bij de indeling in ressorten van 1821 werd de Joodse gemeente van Winsum officieel erkend.
Tussen 1825 en 1875 kende de gemeente een bloeiperiode, daarna zette de neergang in.
Toch werd nog in 1878 aan de Nieuwstraat in Obergum een synagoge gebouwd.
Aanvankelijk werden de doden in Groningen begraven.
In 1867 werd een begraafplaats in gebruik genomen in Winsumermeeden. Ook in het nabije Warffum was er in de tweede helft van de negentiende eeuw een Joodse begraafplaats.
Ten gevolge van de industrialisatie daalde het aantal Joodse inwoners van Winsum in het laatste decennium van de negentiende eeuw en in de daaropvolgende jaren drastisch. De synagoge moest dan ook in 1934 verkocht worden.

Op een enkeling na werden alle Joodse inwoners van Winsum tijdens de Duitse bezetting gedeporteerd en vermoord.
In 1948 is de Joodse gemeente ontbonden en bij die van Groningen gevoegd.
De synagoge is tegenwoordig in gebruik als vergaderzaal.
De zorg voor de begraafplaats berust bij de burgerlijke gemeente. Het ‘Joods Kerkhofje’ werd in de zomer van 1999 gerestaureerd.
Een oorspronkelijk voor Abraham Markus gebouwde woning maakt als Joodse slagerij onderdeel uit van het Warffumer openluchtmuseum en herbergt tevens een klein Joods museum.

Op de begraafplaats van slechts 50 stenen zijn er 4 familienamen, met een totaal van 29 stenen dominerend:-
Benninga – 6 stenen, van Geuns – 6 stenen, de Vries – 13 stenen, Meijer – 4 stenen.
Het merendeel van de overige stenen tonen dikwijls ook weer relaties met deze families.

[ Bron: website van het Joods Historisch Museum ]