Limburg

Afgerond onderzoek naar begraafplaatsen in Limburg

Beek – Limburg
Rond het einde van de zeventiende eeuw vestigden de eerste Joodse inwoners zich in Beek en de omliggende gemeenten.
Hun namen worden genoemd in verband met bendevorming en processen.
Omstreeks 1740 woonden er drie Joodse gezinnen in Beek, tegen het einde van achttiende eeuw is dit aantal tot twaalf toegenomen.
Godsdienstoefeningen werden in die tijd in huissynagogen gehouden.

In 1794 kregen de Joden toestemming om hun doden aan de huidige Putbroekerweg te begraven.

In 1828 kreeg Beek de status van zelfstandige Joodse gemeente met de rang van bijkerk.
De eerste echte synagoge werd in 1866 ingewijd en lag aan de Molenstraat.
Vanwege het geringe aantal Joodse inwoners was er van geregeld godsdienstonderwijs geen sprake.
De meeste Joden waren werkzaam als slager of in de veehandel.

Van het twintigtal Joden dat aan het begin van de Duitse bezetting in Beek woonde hebben zich twaalf het leven weten te redden door onder te duiken.
De overigen zijn gedeporteerd en in de concentratiekampen omgekomen.

De Joodse gemeente van Beek is na de oorlog niet weer opgericht en is in 1954 samengevoegd met die van Maastricht.
De synagoge is aan de gemeente Beek verkocht en later afgebroken.

In Beek bevindt zich een monument in het centrum, dat herinnert aan de Joodse slachtoffers uit Beek.
Op de Joodse begraafplaats zelf dient de grafsteen van Gerrit Cohen (3)11 tevens als aanvullend monument voor 5 van zijn in 1942 in Auschwitz vermoorde familieleden.
De plaatselijke overheid draagt zorg voor het onderhoud van de Joodse begraafplaats.

[ Bron: Joods Historisch Museum-website ]
Gennep – Limburg
De Joodse gemeente van Gennep ontstond omstreeks 1845, maar er zijn aanwijzingen dat ook in de zeventiende en achttiende eeuw Joden in de plaats woonden.
Zij waren echter zo gering in aantal dat ze tot het midden van de negentiende eeuw tot de Joodse gemeente van Sittard gerekend werden.
Ook na het zelfstandig worden van de gemeente bleef het aantal leden gering.

De synagoge aan de Kerkstraat (de huidige Torenstraat) werd in 1874 ingewijd, terwijl het pand al in 1864 aangekocht was.
Op de in 1842 officieel in gebruik genomen begraafplaats aan de huidige Davidlaan werd al voordien begraven; de oudste grafsteen dateert uit 1794.
(Behalve de datum is deze steen verder onleesbaar).
Het kerkbestuur van de Joodse gemeente van Gennep bestond uit twee personen. De kinderen kregen Joodse les o.m. van een onderwijzer uit Cuijk.
Omstreeks 1900-1905 was er een leraar die negen kinderen les gaf, waarvan vier kosteloos onderwijs genoten, omdat zij tot de behoeftigde stand behoorden.
Toch kreeg toen een examen door de Rabbijn-inspecteur een gunstige uitslag.
Drie godsdienstleraren zijn in Gennep bekend: E.R. Rubens, I. Van Baaren en Levie Sajet.

Gennep telde twee Joodse genootschappen: een voor het bijeenbrengen van gelden voor de synagoge en een vrouwengenootschap voor de verzorging van zieken en overledenen en voor het textiel in de synagoge.

Vluchtelingen uit Duitsland zorgden aan het einde van de dertiger jaren van de twintigste eeuw voor een aanzienlijke aanwas van de Joodse inwoners van Gennep.
O.m.werd door dezen een tricotage- en confectiefabriek gesticht. Deze bleef ook gedurende de oorlog functioneren, toen de stichters de zaak over hebben moeten geven aan Duitse “Verwaltung”.
Van de helft van hen is bekend dat zij naar Polen gedeporteerd zijn.
Over het lot van de anderen is niets met zekerheid te zeggen.

De synagoge is tijdens in de tweede wereldoorlog beschadigd door verschillende oorzaken en niet gerestaureerd.
In 1947 werd de Joodse gemeente opgeheven en bij Venlo ingedeeld.
Op het terrein, waar eens de synagoge stond, staat nu een klooster.

Over de begraafplaats, nu liggende in het centrum van Gennep, vertellen getuigenissen van na 1850 ons, dat deze toen ruim driehonderd meter buiten de bebouwde kom van Gennep lag. Er lag een sloot omheen, opdat kleinvee geweerd kon worden.
Hoe en wanneer het stuk grond in bezit kwam van de Joodse gemeenschap is niet bekend.
De grafstenen uit 1804, 1830 en later wijzen op een doorlopend gebruik.
Nog in 1971 vond er een begrafenis plaats.
Na lang wikken en wegen, hetgeen begon in 1851, en weigeringen voor bijstand door de gemeente Gennep, werd in 1876 een stenen muur opgericht.
Een metaheirhuisje is er nooit gekomen.

De begraafplaats wordt door de gemeente Gennep onderhouden.

Aantal Joden in Gennep:

1809 15
1840 26
1869 31
1899 28
1930 20

[ Bronnen:
website van het Joods Historisch Museum, aangevuld met enige gegevens uit:
– De Joodse gemeenschap te Gennep” van Wiel S. van Dinter (1990)- ISBN nummer 906011.718.2 ]
Grevenbicht – Limburg
Vroeg in de negentiende eeuw ontstond te Grevenbicht, dat tegen de Belgische grens aan ligt een kleine Joodse gemeente.
Aanvankelijk gingen de Joden uit het plaatsje in Sittard naar de synagoge.
In 1818 werd in Grevenbicht een eigen synagoge gebouwd.
Vanaf dat jaar fungeerde de gemeente als bijkerk onder de Ringsynagoge Sittard.

De synagoge werd in 1870 en in 1886 gerestaureerd.
Op een oude Romeinse grafheuvel ligt de Joodse begraafplaats ‘Het Jodenbergje’.
Deze werd in 1803 in gebruik genomen.
De joodse gemeente Grevenbicht werd rond 1905 opgeheven.
De synagoge is door een ingrijpende verbouwing in 1966 onherkenbaar geworden.
De joodse gemeente Sittard onderhoudt de begraafplaats van Grevenbicht.

Het aantal Joden in Grevenbricht dat in 1809 nog 19 bedroeg, liep gestadig terug tot 5 in 1930.

De 13 bestaande stenen op de begraafplaats tonen veel onderlinge familierelaties, vooral van de families Claessen en Croonenberg.

[ Bron: website van het Joods Historisch Museum ]
Gulpen – Limburg
Van de Joodse gemeente in Gulpen is niet veel meer terug te vinden.

In 1786 waren er genoeg volwassen mannen om godsdienstoefeningen te kunnen houden in een prive-woning.Maar al in 1747 vierden Joden te Gulpen het Pesachfeest ten huize van Jozef Hartog.

De Joden, die in de 18e eeuw in Gulpen woonden, hadden voortdurend last van uitspattingen van dronken soldaten, maar ook de burgelijke instanties maakten problemen, zoals het langdurig in hechtenis nemen van de hele Joodse bevolking in 1749 op grond van zeer vage beschuldigingen.

In 1820, nadat de burgelijke gelijkstelling van de Joden al een feit was, trachtte de pastoor nog met alle macht de bouw van een synagoge tegen te gaan.
Het sjoeltje, dat er toch kwam in 1823, werd inmiddels afgebroken.
De kinderen kregen les in de plaatselijke joodse school.
De gemeente telde een mannen- en een vrouwenvereniging, beide opgericht als begrafenisgenootschap.
In de laatste decennia van de negentiende eeuw liep de Joodse bevolking van Gulpen zo hard achteruit, dat de gemeente omstreeks 1900 met de eveneens kwijnende gemeente van Vaals samengevoegd werd tot de Joodse gemeente van Gulpen-Vaals.
Tijdens de Duitse bezetting zijn alle joden uit Gulpen-Vaals naar Polen gedeporteerd en daar vermoord.
Het schilderachtig begraafplaatsje is daarom de enige overgebleven herinnering aan Joods Gulpen.

[ Bronnen:
– Jan Stoutenbeek & Paul Vigeveno-Joods Nederland-Een cultuurhistorische gids – Querido-pag.302 – ISBN 9021483165/CIP/NUGI 471/644
Joods Historisch Museum-website ]
Heerlen – Limburg
Het is aannemelijk dat er in de Middeleeuwen al Joden in Heerlen geweest zijn.
Begin achttiende eeuw vestigen zich enkele Joodse families definitief in de plaats.
In 1726 bestond de gemeenschap uit zes gezinnen.

De eerste synagoge, nadat er voordien een huissynagoge was, waarvan de inwijdingsdatum echter niet bekend is, werd in 1852 opgeknapt.
In 1898 werd een vrouwengenootschap opgericht, dat zich bezig hield met het onderhoud van de synagoge.
In 1936 werd aan de Stationstraat, boven de oude Joodse begraafplaats, een nieuwe synagoge gebouwd.

Een opvallend groot aantal Joden in Heerlen was gedurende de eerste helft van de achttiende eeuw werkzaam als vleeshouwer.

In 1778 werd er, na enig onderhandelen, een begraafplaats ingericht.
Toen deze begraafplaats aan het einde van de achttiende eeuw vol dreigde te raken werd in 1811 een nieuwe Joodse begraafplaats aangelegd.
Vanaf rond 1900 werden de Heerlense Joden begraven aan de Akerstraat, naast de Algemene begraafplaats.

Tengevolge van de machtsovername in Duitsland door de nazi’s kwamen er in de dertiger jaren veel Joodse vluchtelingen naar Heerlen en Kerkrade.

Van de in Heerlen verblijvende Joden is ongeveer de helft tijdens de oorlogsjaren omgebracht.
Dankzij de activiteiten van dominee Pontier en de illegale NV-groep onderleiding van Jaap Musch konden in Heerlen en omgeving veel Joden, waaronder ongeveer honderd kinderen, onderduiken.

Het interieur van de synagoge werd geplunderd en vernield, de Torarollen en de rituele voorwerpen, zijn in Amsterdam verloren gegaan.
De lege synagoge werd als opslagruimte gebruikt.

Na de bevrijding van het zuiden van Nederland werd de synagoge op 6 januari 1945 heringewijd. In 1959 onderging het gebouw een renovatie.
Door de terugloop van het aantal gemeenteleden is de synagoge sinds 1985 niet meer in gebruik.
Uit dit gebouw is een plaquette ter nagedachtenis van de Joodse slachtoffers van de bezetting overgebracht naar de begraafplaats aan de Akerstraat.
Zie (208)064.

De begraafplaats wordt door de plaatselijke autoriteiten onderhouden.

De Joodse gemeenten van Heerlen, Roermond en Maastricht zijn in 1986 gefuseerd tot de NIHS Limburg.

[ Bron: Joods Historisch Museum (bijgesteld) ]

De begraafplaats van Heerlen onderscheidt zich door een relatief groot aantal overleden Duitse vluchtelingen. Een gedeelte van de stenen zijn opvallend eenvoudig, vaak zonder Hebreeuwse tekst, en bepaalde stenen maken de indruk van niet nieuw te zijn, maar door geheel of gedeeltelijke afslijping oude stenen te zijn geweest, die opnieuw werden gebruikt.
Maastricht – Limburg
Ondanks tegenwerking op velerlei gebied groeide de Joodse bevolking van Maastricht zodanig, dat in 1782 de eerste openbare synagogedienst gehouden kon worden in een prive-woning aan de Markt.
Nadat de Fransen in 1794 het land binnengetrokken waren werd de Joodse gemeente officieel erkend.
Men kreeg toestemming om synagogediensten te houden in een privé-woning achter het stadhuis tussen de Hoenderstraat en de Koeslingestraat.

In het begin van de negentiende eeuw groeide de Joodse gemeente van Maastricht bijzonder snel.
Daarom was het al in 1809 noodzakelijk om voor de godsdienstoefeningen een pand te huren aan de Kleine Gracht.
De meeste Joden woonden in de directe omgeving van dit nieuwe synagogegebouw.
De gemeente had nauwe banden met Joodse gemeenten in Duitsland. Aanvankelijk was Maastricht onder Frans bestuur ingedeeld bij het Consistorie van Krefeld.
Bij de ressortale herindeling werd Maastricht echter aangewezen als residentie van de opperrabbijn van Limburg, Luik en Luxemburg, met inbegrip van Brussel.
De slechte economische omstandigheden en de streng orthodoxe opvattingen droegen er toe bij dat er tot 1860 een zeer frequente wisseling van (opper)rabbijnen was.
Het eerste reglement van de Joodse gemeente, dat dateerde uit 1816, werd in 1861 vervangen door een modernere versie.

Met financiele steun van de stedelijke autoriteiten, de rijksoverheid en koning Willem I werd in 1839 aangevangen met de bouw van een imposante synagoge in de Capucijnengang bij de Bogaardenstraat.
Het gebouwencomplex, dat tevens het rituele bad, de school en de kosterswoning omvatte, werd in augustus 1840 ingewijd. De Joodse school was al in 1833 opgericht.

Tot 1812 werden de doden op de begraafplaats aan de Maagdendries begraven.
Daarna werd een Joodse begraafplaats in gebruik genomen aan de Tongerseweg in het dorp Wolder, dat deel uitmaakte van de gemeente Oud-Vroenhoven.

Aan het einde van negentiende eeuw bestonden er in Maastricht naast een kerkbestuur en een kerkenraad de volgende verenigingen: een armbestuur, een vrouwengenootschap voor steun aan arme kraamvrouwen, een genootschap tot hulp aan reizigers en passanten en een vereniging voor het bezoeken van zieken en het organiseren van de jaarlijkse diensten op sterfdagen.

Tegen het einde van de negentiende eeuw begon, net als in de rest van Limburg, het ledental van de Joodse gemeente Maastricht terug te lopen.
Toch bleef de Joodse gemeente van Maastricht aanzienlijk van omvang, in de jaren dertig bloeide ze zelfs op door de komst van een groot aantal Joodse vluchtelingen uit Oost-Europa en Duitsland.
Tussen 1900 en 1940 zijn er in de stad nog een gezelligheidsvereniging, een begrafenisgenootschap en een jeugdvereniging opgericht.

De meeste Joden waren werkzaam in de handel of hadden een winkel, daarnaast waren er enige handwerkslieden en fabrikanten.

Aan het begin van de bezetting onstond er in Maastricht nog een zionistische jongerenorganisatie.
Aanvankelijk genoten de Joodse inwoners van de stad de bescherming van de plaatselijke politie en van een deel van hun stadgenoten. In september 1941, toen de Joodse kinderen werden uitgesloten van openbaar onderwijs, werd in Maastricht een Joodse lagere school opgericht, die tot aan het eind van de deportaties gefunctioneerd heeft.
Tussen juni 1942 en april 1943 werd het grootste deel van Joodse bevolking van Maastricht opgepakt, gedeporteerd en vervolgens omgebracht. In de omgeving van Maastricht dook een aanzienlijk aantal Joden, voornamelijk afkomstig uit het noorden van het land, onder.
Door verraad werden veel Joden, die zich vanuit Maastricht via Belgie in veiligheid trachtten te brengen, opgepakt.

In 1965 bleek alsnog dat het archief van de Joodse gemeente Maastricht behouden was.
Na de bevrijding werd het Joodse leven in Maastricht hervat en in 1952 werd de synagoge weer in gebruik genomen.
In de zestiger jaren vond er een restauratie plaats en werd de synagoge opnieuw ingericht met meubilair uit de synagoge van Meerssen.

In 1986 fuseerden de Joodse gemeenten van Heerlen, Maastricht en Roermond tot de NIHS Limburg.

De Joodse begraafplaats in Maastricht werd in 1996 door vrijwilligers opgeknapt.
Op 30 oktober 2005 werd er op de Joodse begraafplaats een gedenksteen onthuld voor de ruim 45 Joodse kinderen uit Maastricht die zijn omgekomen in de Tweede Wereldoorlog.

Aantal Joden in Maastricht en omgeving:

1782   8
1794  22
1809 207
1840 375
1869 429
1899 405
1930 247
1951 115
1998  61 (leden NIG Limburg)

[ Bron:
– Ontleend aan de website van het Joods Historisch Museum
– Zie ook: Wikipedia ]
Roermond (nieuw) – Limburg
[ Zie ook: Roermond(oud) ]
Te lezen in context met de aldaar uitgebreidere beschrijving van begraafplaats Nabij de Kapel in ’t Zand.
Het nieuwe Joodse deel bevindt zich helemaal achterin op de begraafplaats en is toegankelijk via een kleine doorgang in de muur met het katholieke deel.
Voor rouwstoeten is er tevens een aparte toegangspoort, zodat men vanaf de straat meteen op de Joodse begraafplaats kan komen, zonder eerst over het katholieke deel te hoeven gaan. 
Dit deel van Begraafplaats Nabij de Kapel in ’t Zand is anno 2018 nog in gebruik. 
Dat wil zeggen dat er nog mensen kunnen worden begraven, al begint de ruimte beperkt te raken. 
Er zijn 98 graven, waarvan de laatste is gedolven in 2003.

[ Bron: ontleend aan Wikipedia: Begraafplaats Nabij de Kapel in ’t Zand ]

Nog opgemerkt moet worden, dat bij deze begraafplaats een relatief groot aantal foute geboortedata voorkomen, met grote
verschillen ook in vergelijk met de opgegeven Hebreeuwse datum.
Er is geen verklaring gevonden, waarom juist deze begraafplaats dit grote aantal afwijkingen vertoont.
Roermond (oud) – Limburg
[Zie ook: Roermond (nieuw) ]
Begraafplaats Nabij de Kapel in ’t Zand is een van Nederlands oudste dodenakkers.
Haar geschiedenis begint in het jaar 1785, nadat bij keizerlijk edict (De Zuidelijke Nederlanden, waartoe Roermond hoorde, 
stonden onder het gezag van de keizer Jozef II) werd verboden mensen binnen kerkgebouwen of zelfs binnen de stadsmuren te begraven.
Op een plek waar zich reeds een oude Joodse begraafplaats bevond, vond men de ideale plaats om aan wet en regelgeving te voldoen. 
De oude Joodse begraafplaats lag immers buiten de muren van de stad. Volgens Joodse wetten is een begraafplaats (ofschoon gewijd) onrein. 
Binnen de muren van de stad kan geen plaats zijn voor iets wat onrein is. 
Dit is ook de reden waarom Joodse begraafplaatsen zich vaak een eind buiten de bebouwde kom bevinden. Als gevolg van deze bijzondere ontwikkeling zijn de Joodse begraafplaatsen in Roermond onderdelen van een uit vijf verschillende gedeeltes bestaande begraafplaats:
– Het katholieke deel
– Het Nederlands-hervormde deel
– Het oude Joodse deel
– Het nieuwe Joodse deel
– Het verloren Kerkhof

Het oude Joodse deel:
Zoals reeds gezegd bestond dit deel al voor 1785. 
Het ligt ingesloten tussen muren en het is te bereiken via een kleine doorgang op het protestantse deel.
Anno 2018 zijn er nog maar 6 grafzerken zichtbaar, waarvan er twee liggend zijn.
Echter: als men dit deel van de begraafplaats betreedt, merkt men dat de grond flink omhoog gaat. 
Vermoedelijk is er hier begraven in twee lagen. 
Op Joodse graven zit standaard eeuwigdurend grafrecht: uit principe worden Joodse graven niet geruimd, 
omdat de doden in hun graf de jongste dag afwachten. 
Alleen onder rabbinaal toezicht kunnen doden worden herbegraven (zoals in Sittard het geval was). 
Was dit niet mogelijk of als de begraafplaats op een gegeven moment vol was, dan strooide men extra zand uit en begroef men een tweede laag personen boven op de eerste laag. 
Hoeveel personen er precies begraven zijn op dit deel is onduidelijk, maar wellicht enkele honderden. Op dit moment zijn er nog zes grafstenen te zien, alle volledig in het Hebreeuws geschreven, met overlijdensdata rond 1850.

[ Bron: ontleend aan Wikipedia: Begraafplaats Nabij de Kapel in ’t Zand ]
Schimmert – Limburg
Volgens het Joods Historisch Museum behoorde deze begraafplaats aan 1 familie,hetgeen overeenkomt met ons onderzoek (Jacob en David Caen en echtgenote Caroline Caen-Stiel) maar het familieverband van David Benedik (steen nr.4) is niet opgespoord. Volgens een artikel van Wim Boersma “De Joodse vlees slagter” gepubliceerd door de Heemkundevereniging Houthem-St.Gerlach is deze familie terug te voeren naar Mozes Caan (Jacques Caanen), geboren te Ippendorff bij Bonn in 1734, die zich omstreeks 1771 in Haasdal vestigde. De grafstenen 1 t/m 3 zijn van de kleinkinderen (en echtgenote van een van hun) van deze Mozes Caan, als zonen van Michel, de zoon van Mozes.

Zie ook van Wim Boersma “De Joodse graven op Haasdal” gepubliceerd door de Heemkundevereniging Houthem-St.Gerlach.

(De in deze artikelen weergegeven Joodse gebruiken en tradities zijn niet altijd juist).
Urmond – Limburg
De Joodse begraafplaats van urmond is qua hoeveelheid grafstenen is de kleinste van Limburg, met slechts 1 bewaarde grafsteen.

Ongetwijfeld zullen er meerdere mensen begraven zijn. De begraafplaats werd immers reeds in 1828 vermeld. Bovendien loopt de grond flink omhoog, hetgeen een aanwijzing kan zijn dat er in het verleden veel in de bodem is gegraven en er in de bodem veel activiteit is (geweest). Het is zelfs mogelijk dat er is begraven in meerdere lagen.

Urmond heeft overigens nooit een eigen Joodse Gemeenschap gehad. Ze behoorde tot de Joodse Gemeenschap van Beek.

[ Bron: Wikipedia ]
Vaals – Limburg
Rond het begin van de negentiende eeuw vestigden zich Joden in Vaals, afkomstig uit Pruisen.
Veel Joodse inwoners heeft Vaals nooit gehad. Het waren er slechts enkele tientallen.
In de dertiger jaren vestigde een aanzienlijk aantal Joden zich in de grensplaats.
Zij werden tezamen met de andere Joodse inwoners van Vaals allen tijdens de bezettingsjaren gedeporteerd en vermoord.

Vanaf 1821 tot 1827 waren de Joodse inwoners van Vaals ingedeeld bij de gemeente Eijsden, daarna vormden zij een zelfstandige Joodse gemeente.
In 1862 werd de situatie weer teruggedraaid en vielen de Joden van Vaals wederom onder Eijsden.
Rond 1900 werden zij aan Gulpen toegevoegd.
In 1935 tenslotte werd de naam van de Joodse gemeente Gulpen veranderd in ‘Gulpen-Vaals’ en werd de zetel van de gemeente gevestigd in Vaals.

De synagogediensten werden rond het midden van de negentiende eeuw in een prive-woning gehouden.
In een later stadium vonden de godsdienstoefeningen plaats in een huissynagoge aan het Von Clermontplein.
Deze situatie duurde tot kort voor de Duitse bezetting.

Na de oorlog is het Joodse leven in de plaats niet hervat.
De Joodse begraafplaats in Vaals wordt onderhouden door de plaatselijke overheid.
Opmerkelijk is dat verschillende grafstenen een Duitstalig grafschrift dragen.

Aantal Joden in Vaals:
1809 16
1840 30
1869 29
1899 15
1930 18

[ Bronnen:
Joods Historisch Museum-website
Wikipedia ]
Valkenburg – Limburg
Valkenburg heeft twee Joodse begraafplaatsen.

1. – De oude Joodse begraafplaats Langs de Dwingel, zoals ze officieel heet, ligt aan de voet van de kasteelruïne. Ze is in gebruik geweest van 1792 tot 1925. Er zijn nog maar twee grafstenen te zien.

Dat hier meer mensen dan deze twee stenen zijn begraven, is zeker. Wie echter is niet bekend. Naar verluidt is een aantal grafstenen gestolen, hetgeen helaas vaker voor komt, omdat de hardstenen platen goed bouwmateriaal vormen. Een aantal anderen is in de bodem weggezakt.

Het terrein is zeer instabiel en vinden er regelmatig ondergrondse instortingen plaats. De grafstenen zijn van zeer dichtbij vanaf de straat te bekijken, maar het terrein zelf betreden is niet toegestaan en zelfs gevaarlijk.

2. – De nieuwe Joodse begraafplaats is gelegen op de algemene begraafplaats aan de Cauberg.
In totaal zijn hier 20 stenen. Ook hier zijn vermoedelijk meerdere mensen begraven.
De oudste zichtbare steen stamt uit 1932, de laatste is van 1998. Er is een aparte ingang voor het Joodse gedeelte, zodat men het algemeen christelijke gedeelte niet hoeft te betreden.

De Joodse gemeente Valkenburg
De eerste melding van Joden te Valkenburg werd gemaakt in 1925. De Joodse gemeente floreerde tot het begin van de negentiende eeuw, liep daarna terug, maar leefde weer op aan het begin van de twintigste eeuw.
Tot 1964 was Valkenburg een zelfstandige Joodse gemeente, toe werd zij bij Maastricht gevoegd.
44 slachtoffers van de tweede wereldoorlog worden herdacht op een gedenkplaat.

[ Bron: Wikipedia ]