Noord-Brabant

Afgerond onderzoek naar begraafplaatsen in Noord-Brabant

Bergen op Zoom – Noord-Brabant
Er moeten al in de Middeleeuwen Joden in Bergen op Zoom gewoond hebben. Zij zouden daar volgens archiefstukken in 1428 dezelfde rechten gekregen hebben als de andere inwoners. De economische achteruitgang van Bergen op Zoom bracht met zich mee dat de Joden tegen het einde van de vijftiende eeuw uit de stad verdwenen zijn.
Vanaf het begin van de achttiende eeuw hebben zich opnieuw Joden in de plaats gevestigd. In 1793 pachtten Joodse burgers een stuk grond in het buitengebied aan de Bergsebaan om er een begraafplaats in te richten.
In 1815 werd een deel van de Stadswaag aangekocht en tot synagoge verbouwd. Een kleine twintig jaar later liet de Joodse gemeente aan de Parade (de huidige Koevoetstraat) een nieuwe synagoge bouwen. Ook was er in Bergen op Zoom een kleine Joodse school, die in 1868 een eigen gebouw betrok.

De Joodse gemeente van Bergen op Zoom bereikte haar grootste omvang rond het midden van de 19de eeuw, daarna liep het aantal leden langzaam terug. Twee verenigingen hielden zich bezig met liefdadigheid: een begrafenisgenootschap en een genootschap dat zorgde voor het onderhoud van de synagoge.

In het algemeen waren de Joden van Bergen op Zoom werkzaam in de detailhandel. Ze namen geen opvallende plaats in het openbare leven van hun stad in.
Tijdens de bezetting werden de Joodse inwoners van Bergen op Zoom net als elders slachtoffer van de anti-Joodse maatregelen van de Duitsers. Op 11 november 1942 moesten zij zich melden om via Amsterdam naar Westerbork gevoerd te worden. Een twintigtal van hen slaagde erin zich in veiligheid te brengen door onder te duiken. De overigen werden naar Oost-Europa gedeporteerd en daar vermoord.

In 1958 werd de Joodse gemeente opgeheven en ingedeeld bij Tilburg. In 1967 werd deze indeling gewijzigd en behoorde Joods Bergen op Zoom verder bij Breda. De synagoge, waarvan het interieur gedurende de bezetting vernield was, is verkocht en deed aanvankelijk dienst als bedrijfsruimte.

In 1975 werden de synagoge en het rituele bad geheel gerestaureerd. Ze vormen tegenwoordig een gedenkplaats voor de verdwenen Joodse gemeenschap van Bergen op Zoom en functioneren tevens als ontmoetingsplaats en expositieruimte.
De begraafplaats wordt onderhouden door de plaatselijke overheid. Het nog vrije gedeelte is bestemd voor het begraven van Belgische Joden.(zie hieronder).

Bij het grensdorp Putte liggen al meer dan honderd jaar begraafplaatsen van de Antwerpse Joodse gemeenschap. Veel Belgische Joden geven er namelijk de voorkeur aan hun doden in Nederland te begraven, omdat in Belgie het recht op eeuwige rust niet gewaarborgd is.
De begraafplaats heeft gedurende de eeuwen nooit een muur of beschermende omheining gehad (wel was er later een ijzeren hek voor de ingang), waardoor deze voortdurend
schade leed en er veel grafschennis plaats vond. Over het algemeen stonden de autoriteiten welwillend tegenover de diverse verzoeken van de Joodse gemennte met betrekking tot onderhoud en in standhouden van de begraafplaats. Levie Salomon Frank-(203)066-die op 06-04-1885 overleed, bleek per legaat van 15-03-1879 een groot bedrag ter beschikking hebben gesteld voor de Joodse gemeente van Bergen op Zoom.
Een gedeelte hiervan werd gebruikt om de begraafplaats op te knappen.
Zijn genereuse schenking is gememoreerd op zijn grafsteen. Enige uit Belgie afkomstige Joden werden ook eerder op deze begraafplaats begraven, zoals uit het Stenen Archief blijkt, echter in 1978 werden procedures opgestart om de begraafplaats officieel over te dragen aan de Joden van Antwerpen, waarvan de akte officieel op 30-12-1982 werd verleden.
De reden hiervoor was, dat de Belgen over een tweede begraafplaats in Nederland wilden beschikken, mocht er in Putte, de bekende begraafplaats voor hun over de grens, niet meer begraven kunnen worden.(zie boven).

De nieuwe eigenaren namen op zich de oude begraafplaats onaangetast te laten en in het onderhoud hiervan te voorzien. Daar de Joodse gemeente van Bergen op Zoom is opgeheven (zie boven) is de toekomstige nieuwe bestemming van deze begraafplaats dus ten behoeve van het Belgische Jodendom,
hetgeen naar verluidt nog enkele tientallen jaren zal duren. De jongste steen in het Stenen Archief is van 1974, maar volgens Bader (Verborgen in Brabantse Bodem)-pag.24-werd er nog in het jaar 2000 een steen geplaats voor Mozes Marcus Walg. Deze steen is noch in het Stenen Archief noch in de collecctie van Bader opgenomen.Hij was na de oorlog voorzitter en secretaris van de Joodse gemeente en was degene die de begraafplaats weer herstelde.

[ Bronnen:
Joods Cultureel Kwartier
– J.Bader-Verborgen in Brabantse Bodem, pag.19-23, ISBN: 90-70641-64-x ]
Cuijk – Noord-Brabant
Cuijk (voluit Cuijk en St.Agatha) bezat een Joodse Gemeente op zijn minst vanaf 1761, toen deze gemeente al een begraafplaats had.
Tot twee keer toe werden de begravenen naar een nieuwe dodenakker overgeplaatst, de laatste keer omstreeks 1963 naar een afgezonderd gebied op de algemene begraafplaats, alwaar nog de 18 nu gedigitaliseerde zerken te vinden zijn.
Het is niet vast te stellen hoeveel en welke overledenen bij deze twee verstoorde grafrusten, door gebrek aan een grafteken, verstrooid op de oude begraafplaatsen zijn blijven liggen.
Dit temeer, omdat ook overledenen uit Grave te Cuijk begraven werden, terwijl Cuijkse Joden ook wel elders begraven werden.
J. Bader geeft een lijst van 11 overledenen, die op deze wijze verstrooid zijn blijven liggen, die echter in de genealogische gegevens van de bestaande zerken bijna allen als verwanten terug te vinden zijn.
Het merendeel van de bestaande grafstenen behoort tot de familie van Meer, die in de Cuijkse kille een prominente positie innam.
Aan te nemen is, dat onder de verstrooide stoffelijke resten op de 2 oude begraafplaatsen, zich tevens veel leden bevinden van deze familie, die in Cuijk geboren, er hun hele leven hebben gewoond en er ook zijn overleden.
In de tweede wereldoorlog woonden er nog 17 Joden in Cuijk, waarvan 4 de oorlog doorkwamen door onderduik. De 13 gedeporteerden kwamen allen om.
Onder hen zijn geen slachtoffers met de familienaam van Meer.

Een monument ter hunner gedachtenis is te zien op: http://www.oorlogsmusea.nl/artikel/685
Deurne – Noord-Brabant
In Deurne bevindt zich een Joodse begraafplaats met één graf op een bijzondere plaats, namelijk op een begraafplaats. In 1994 werd het graf officieel aangewezen als Joodse begraafplaats. Daarbij werd het religieus gescheiden van de protestantse begraafplaats, dat het aan alle kanten omgeeft.
Het is het graf van Erwin Michael Joseph (23 september 1925 – 16 september 1942). Deze Joodse jongeman was 16 jaar toen hij in 1942 door mensensmokkelaars werd meegenomen naar een onderduikadres. In plaats van hem naar dit adres te brengen, sloegen de smokkelaars hem dood met een hamer en begroeven hem.
Een kleine twee jaar later, op 23 juni 1945, wees een van de moordenaars het graf aan en werd het lichaam herbegraven in Deurne. Toen men in 1994 ontdekte dat het om een Joodse jongen ging, kocht een rabbijn zijn graf en werd er een nieuwe grafsteen geplaatst.
Merk op dat er vóór de overlijdensdatum een Latijns kruisje staat. Dit is eigenlijk een christelijk symbool. Het grafschrift op de deksteen luidt: “Jewish refugee from nazism murdered by men promising safety. His parents survived. Hidden by local citizens.”
Eindhoven (De Grote Beek) – Noord-Brabant
Op het terrein van de voormalige Rijks Psychiatrische Inrichting “De Grote Beek” te Woensel (nu een deel van Eindhoven) ligt een begraafplaats. Hier werden sinds 1918 de overleden patienten en personeelsleden begraven. Later is een afgescheiden deel bestemd voor de Joodse verpleegden en verplegers. In de periode 1927-1982 werden op dit gedeelte 24 personen begraven.
Slechts twee stenen bleven hiervan over.

Hoewel in 1988 overwogen werd om deze begraafplaats te ontruimen werd hiervan afgezien door tussenkomst van het Nederlands Israelitische Kerkgenootschap, welke toezegde deze begraafplaats voor nog minstens tien jaar te onderhouden.

Hoe het daarmee nu (in 2020) staat, is ons onbekend.

[ Bron:
Ontleend aan J.Bader, Verborgen in Brabantse Bodem-Joodse begraafplaatsen in Noord-Brabant, ISBN 90-70641-64-x, pag.186 ]
Geffen – Noord-Brabant
In Geffen is een zeer oude Joodse begraafplaats bewaard gebleven.
Wellicht is het de oudste van Noord-Brabant, want ze was al voor 1700 in gebruik.
De begraafplaats is gelegen aan het Kraaijeven.
In feite was het de oudste Joodse begraafplaats van de gemeente Oss en is tot 1909 in gebruik geweest.
Aan de Heescheweg bij Oss lag sinds 1888 een nieuwe begraafplaats.

Er zijn 87 grafstenen bewaard gebleven. De jongste is uit 1908.
Een jaar later werd de begraafplaats gesloten en werd er begraven op de Joodse begraafplaats van Oss.
Geffen was dan ook geen zelfstandige Joodse gemeente, maar viel onder de gemeente Oss.

Al in 1693 is er in de archieven sprake van een “smouse kerkhoff” nabij het “Swart Land”, een afgelegen plek enkele kilometers ten zuidoosten van Geffen.
Aan het eind van de achttiende eeuw getuigen Samuel Isaacs en Zadok Daniel dat het “kerkhof” al “zedert onheugelijke tijden” in het bezit van hun voorvaderen is geweest.

[ Bronnen:
Wikipedia
Brabants Historisch Informatie Centrum ]
Grave – Noord-Brabant
De Joodse gemeente in dit vestingstadje werd gesticht in 1832.

Jarenlang was er geen begraafplaats te Grave en werden de overledenen begraven te Cuijk of in Geffen.
In 1847 deelde de gemeente Cuijk dat aldaar geen overledenen uit Grave meer begraven konden worden, zodat het gemis van een eigen begraafplaats nog sterker gevoeld werd.
Het duurde echter nog 20 jaar, tot 1867, voordat een stukje grond, dat voorlopig eigendom bleef van de burgelijke gemeente, bestemd werd tot Joodse begraafplaats. Uiteindelijk, na veel weerstand van officiele zijde, werd de Joodse gemeente op 30 juli 1889 eigenaar van de begraafplaats.
Harry Kuiper (steen nr. (23)12 ) was de eerste dode die te Grave ter aarde besteld werd. De laatste was de tachtigjarige Elisabeth Gotlieb, overleden in de oorlogstijd op 25 september 1942. Haar stoffelijk overschot werd door enkele functionarissen van de Joodse Raad uit Oss per bakfiets naar de begraafplaats gebracht en door hun aldaar begraven. Er is nimmer een steen gezet op haar graf in later jaren.

Op genoemde datum waren er al geen Joden meer te Grave en sindsdien hebben er ook geen Joden meer gewoond.

[ Ontleend aan J.Bader: Verborgen in Brabantse Bodem – Joodse begraafplaatsen in Noord-Brabant – Stichting Zuidelijk Historisch Contact Tilburg-2002-ISBN 90-70641-64-X ]


De joodse gemeenschap van Grave bleef bescheiden van omvang en was op haar grootst in 1869. Daarna liep het aantal joodse inwoners van Grave gestaag terug, zodat de gemeente in feite reeds voor de oorlog had opgehouden te bestaan.

[ Bron: website van het Joods Historisch Museum ]
Heusden – Noord-Brabant
Een document van 1443 uit Heusden vermeldt dat een aldaar verblijvende Jood van zijn bezittingen beroofd was.
Dat is het enige teken van Joodse aanwezigheid in de plaats tot de achttiende eeuw, wanneer er wederom sprake is van Joodse inwoners.

In 1838 werd Heusden een zelfstandige Joodse gemeente.
Aanvankelijk werden de synagogediensten in een prive-huis gehouden.
In oktober 1870 werd aan de Breestraat een synagoge ingewijd.
In de tweede helft van de negentiende eeuw was er een Joodse school met een tiental leerlingen.

Tot in de 19e eeuw werden de overledenen meestal in Zaltbommel begraven (de kerkbestuurders kwamen uit deze plaats) en vanaf 1839 in het verre Vught, hetgeen een tocht van vier uur in een richting betekende, dus een volle dag uit en thuis en aanzienlijke kosten met zich mee bracht aan vervoer en begraven.

Kindersterfte was, als elders, ook te Heusden hoog.Ook de kerkmeesters Meijer Broekhuizen-(82)21-en Joseph Elias werd dit leed niet bespaard.

Eindelijk in 1847 kreeg de kleine Joodse gemeente een eigen begraafplaats, buiten de stadspooorten.

De oudste bewaarde steen is die van Israel Wolff-(82)19-uit 1866, maar ongetwijfeld werd er al vanaf ong. 1850 aldaar begraven.

Met het heengaan van Meijer Broekhuizen in 1870 was de bloeiperiode van de kille voorbij.Het aantal Joodse inwoners, in 1869 nog 69, daalde tot 27 in 1899 en in 1930 waren het er slechts nog 2.

Met veel inspanning werd het voortbestaan gerekt tot 1912 en in 1927 werd de Joodse gemeente officieel opgeheven en de bezittingen en de synagoge verkocht.

De plaatselijke autoriteiten van Heusden dragen tegenwoordig zorg voor het onderhoud van de Joodse begraafplaats.

[ Bronnen:
1) – Ontleend aan Jan Bader in “Verborgen in Brabantse Bodem” – pag.75 & 76 – ISBN 90-70641-64-x) – Stichting Zuidelijk Historisch Contact Tilburg-Tilburg 2002
2) – Joods Historisch Museum-website ]
Klundert – Noord-Brabant
In 1821 verkreeg de Joodse gemeente Klundert de status van zelfstandige Bijkerk in de Ringgemeente van Roosendaal.
Vrij spoedig daarna verloor de gemeente haar autonomie, om in 1863 weer als Bijkerk erkend te worden.

Op de begraafplaats staan 22 zerken.Volgens de tweede bron zijn er ten minste 68 personen begraven, terwijl het terrein ook 3 rijen van elk 8 stenen paaltjes bevat. Met bijna zekerheid kan worden aangenomen, dat dit graven van overleden kinderen zijn.Drie andere graven zijn eveneens met paaltjes aangegeven, van 17 graven is de ligging niet bekend.

Omdat de Joodse Gemeente Klundert wegens het gering aantal Joodse inwoners al in 1894 werd opgeheven en bij de N.I.G. van Breda werd gevoegd, waren er immer problemen rond het onderhoud van de Joodse begraafplaats.
Enige stichtingen, waaronder de “Vereniging De Israelietische Begraafplaats te Klundert” hielden zich hiermee bezig.
Het onderhoud is nu in handen van de plaatselijke autoriteiten.

Het merendeel van de grafstenen betreft overledenen die niet in Klundert overleden zijn (hoofdzakelijk Zevenbergen) en geen van allen is in Klundert geboren.

De laatste persoon die te Klundert begraven is Hermanus van Straten die op 23 november 1940 tragisch om het leven kwam-
zie (110)06.

[ Bronnen:
1) – website van het Joods Historisch Museum
2) – Verborgen in Brabantse bodem-J.Bader met fotocollectie van ir. Max Cahen – Stichting Zuidelijk Historisch Contact Tilburg – (2002-ISBN-90-70641-64-x) ]
Oirschot – Noord-Brabant
Rond het midden van de achttiende eeuw vestigde zich een Joodse slager in Oirschot.
In de daarop volgende decennia nam het aantal Joden in de plaats gestaag toe (in 1840 waren er 30 Joodse inwoners) en werd er een Joodse gemeente gevormd.
Aanvankelijk werden de godsdienstoefeningen in een prive-woning gehouden; in 1841 wordt toestemming verleend voor het vestigen van een synagoge aan de Rijkesluisstraat, die vanaf 1842 in gebruik was.
In 1875 wordt er nog enig restauratiewerk aan verricht.
Op de avond van Rosh Hashana in september 1905 werd de synagoge voor het laatst gebruikt.
Daarna is het pand deel gaan uitmaken van de slagerij van Barend Meijer, aan wie het pand later verkocht werd.
In de laatste decennia van de negentiende eeuw liep het aantal Joodse inwoners van Oirschot terug.

In 1912 bestond de Joodse gemeenschap nog slechts uit twee gezinnen en werd besloten de Joodse gemeente op te heffen.
(Dit veranderde sindsdien niet: In 1930 werden er nog maar 4 Joodse inwoners geteld.)
De synagoge en de inventaris werden verkocht. Uit de opbrengst werd een klein fonds gevormd voor het onderhoud van de begraafplaats. Momenteel draagt de plaatselijke overheid zorg voor dit onderhoud.
Op de plaats waar de vroegere synagoge stond is een gedenksteen aangebracht.

De oudste overgebleven steen is van 1845, maar uit een verslag is op te maken dat in het jaar 1913 er nog een steen uit het jaar 1814 te zien was. Begrafenissen vonden plaats vanaf 1800 volgens een koperen plaatje op het hek.
De laatste steen van de 8 resterenden is uit 1905.
Een analyse van de Joodse bevolking van Oirschot wijst erop, dat minstens 60 personen alhier begraven zijn, waaronder overledenen uit Boxtel.

[ Bronnen:
Website van het Joods Historisch Museum
– “Verborgen in Brabantse Bodem” van J.Bader – ISBN 90-70641-64X – Stichting Zuidelijk Historisch Contact Tilburg – 2002-pag.169 ]
Oudenbosch – Noord-Brabant
Omstreeks 1790 woonden er maar een handjevol Joden in het dorp Oudenbosch.

De Joodse gemeente te Oudenbosch hield officieel op te bestaan in 1828, maar enkele Joden woonden nog wel ter plaatse tot 1860. Als laatste inwoner van Oudenbosch wordt genoemd Gershon L. de Roos.

In Oudenbosch woonden tussen de jaren 1787 t/m 1865 ongeveer 15 Joodse huishoudens.
Zij waren o.a. werkzaam als winkelier, kermisexploitant, koopman, pakkendrager, slager, verkoper van kansloten, lombardier (beleenbankhouder), etc.

De synagoge was destijds gevestigd in de Kaaistraat (nu slagerij Buyzen).

De Joodse begraafplaats is gelegen op het van ouds zo genoemde Jodendekske (dijkje).
Voor de stichting werd toestemming gegeven op 12 oktober 1783. Al spoedig werden hier uit de verre omgeving Joodse overledenen begraven.
Hoewel nog maar 7 stenen zichtbaar zijn, zijn te Oudenbosch naar schatting minstens 60 mensen uit Roosendaal, Breda, en dorpen uit de omgeving begraven.
De laatste steen is van 06-05-1848.

[ Ontleend aan:
1) “Verborgen in Brabantse bodem” – Joodse begraafplaatsen in Noord-Brabant Jan Bader – pag.33-36 – ISBN 90-70641-64-X – Stichting Zuidelijk Historisch Contact Tilburg (2002)
2) Website “Bijzondere en Monumentale Bomen en Gebouwen in OUDENBOSCH e.o.” ]
Schijndel – Noord-Brabant
De begraafplaats te Schijndel was oorspronkelijk het eigendom van de familie Van de Waal uit Schijndel.
Ook als overledenen uit deze familie al vele jaren elders woonden, werden zij toch dikwijls na hun dood alhier begraven.
Nog steeds bevinden zich tegen de achtermuur de 13 graven van de dynastie van deze familie, welke bijna allen gesierd worden door een boom (verwijzend naar Psalm 92:13 en/of Ezechiel 17:24).

De steen van Lazarus de Wit, de grondlegger van de Joodse Gemeente te Sint-Oedenrode, nr. (27)039 is de oudste aanwijsbare steen op de begraafplaats.

De begraafplaats diende tevens de omliggende Joodse Gemeenten, waaronder Veghel en Uden.

Desondanks was de gemeenschappelijke begraafplaats een bron van veel onenigheid en kwamen er ook met regelmaat ongewenste incidenten voor.

Een zo’n voorval is in de bron op pag. 155 en 156 met meer details beschreven.

Aangezien het begraven te Schijndel vanuit de ver weg gelegen dorpen, een droeve tocht betekende die enige uren in beslag nam, werd althans te Uden (in 1869) een poging aangewend om vergunning te krijgen voor een eigen begraafplaats.
Dit kwam niet tot verwezelijking en bleef ook deze gemeente aangewezen op de verre begraafplaats te Schijndel.

De begraafplaats leed veel door schendingen als gevolg van baldadigheid e.d. maar de kleine gemeentes hadden niet de financiele draagkracht om een muur te bouwen om dit tegen te gaan. Pogingen in deze richting liepen op niets uit.
Pas in 1952, nadat de begraafplaats overging in handen van het N.I.K., werden een stevige muur en toegangspoort gebouwd.
Desondanks werden toch in het jaar 1982 nog aanzienlijke vernielingen aangebracht en ongeveer twintig oude grafstenen onherstelbaar verbrijzeld.

Ook in de jaren van de Tweede Wereldoorlog werd er aanzienlijke oorlogsschade aangericht, waarover twee versies in omloop zijn:-de Duitse soldaten zouden de grafzerken als schietschijven gebruikt hebben, volgens een andere versie werd de schade aangericht door de kogels uit de wapens van de oprukkende Amerikaanse bevrijders in september 1944.

Tegen de achtermuur bevindt zich het monument voor de vermoorde Joodse inwoners uit Schijndel, Veghel, Uden en Sint-Oedenrode, die in 1942-1943 werden weggevoerd en niet terugkeerden uit de vernietigingskampen.

[ Bron: “Verborgen in Brabantse Bodem”-J.Bader – Uitgave Stichting Zuidelijk Historisch Contact Tilburg-2002-ISBN 90-70641-64-X- pag.155-158 ]
Vierlingsbeek – Noord-Brabant
Het perceel voor de begraafplaats werd op 26 mei 1771 aangekocht door het echtpaar “Mijer Zamuel en Judigh Jacobs”.
Het is aan te nemen dat dit de personen waren van stenen (130)74 en (130)88 respectievelijk. De koper werd bijna 30 jaar later op 08-08-1798 als Samuel Meijers (bij Bader:- Meijer Samuel)
begraven. De oudste grafsteen is van Ya’akov z.v. Me’ir ha-Cohen, overleden op 16-10-1783. Het is opmerkelijk dat er nog zes goed leesbare stenen uit de 18e eeuw zijn overgebleven. Bijzonder is bovendien, dat onder de oudste grafstenen namen worden vermeld waaronder deze personen in hun Joodse omgeving bekend waren: Meir Beek, Arye Zambeek, Aharon Vierlingsbeek.
Respectievelijk (130)80, (130)78 en (130)72. Het onderzoek uitgevoerd ten behoeve van het Stenen archief wees uit, dat de familienamen van deze drie, die uiteindelijk bij hun nakomelingen persisteerden, waren Meijers, Lion en De Vries. Tevens illustreert de naamsgeving van Aryeh Zambeek dat deze begraafplaats ook diende voor het begraven van de doden van de kleine Joodse gemeenschap in Sambeek, en zoals bleek, later ook van Boxmeer. In 1856 werd de Joodse gemeente officieel erkend als bijkerk, en vanaf dit ogenblik werd een register van overledenen en begravingen bijgehouden, wat voordien niet het geval was. Het register werd verder bijgehouden, ook nadat de Gemeente Vierlingsbeek omstreeks 1920 had opgehouden te bestaan en de Joodse gemeente van Boxmeer het beheeer van de begraafplaats overnam. De laatste registratie is die van Israel van Baarn – (130)03 – die op 22-01-1941 te Boxmeer overleed, alwaar deze godsdienstonderwiujzer, sjocheet en voorzanger was. Het jongste graf is van Louis de Wijze – (130)84, die op 20-07-2009 overleed.
De door Bader aangegeven laatste begravene-Helga Gotlieb-(130)24 werd hiermee achterhaald. Het analyserend onderzoek van Moshe Mossel (Jeruzalem) bracht aan het licht dat de begraafplaats drie generaties bevat van genoemde Mijer Zamuel/Samuel Meijers/Meijer Samuel, (familie Meijers dus) waarvan de zoon Samuel Meijers – (130)69 – moheel(besnijder) was en als zodanig een bijzondere positie innam.
De symbolen hiervan – de besnijdenisattributen – zijn ook op zijn grafsteen te zien. Diens besnijdenisregister, dat niet verloren is gegaan, en door Moshe Mossel ook verder is uitgewerkt, vormde een belangrijk element bij Moshe Mossel’s diepgaand aanvullend onderzoek. Bij de toegangspoort van de begraafplaats werd op 11-06-1989 een bronzen herdenkingsmonument onthuld, ontworpen door de kustenaar Appie Drilsma, die sindsdien overleed – zie Maastricht – (209)331 .

[ Bronnen:
J. Bader – Verborgen in Brabantse bodem(boek) – Uitgave Stichting Zuidelijk Historisch Contact Tilburg – Tilburg 2002-ISBN 90-70641-64x
– Besnijdenisregister van Samuel Meijers ]