Noord-Holland

Afgerond onderzoek naar begraafplaatsen in Noord-Holland

‘s-Graveland – Noord-Holland
De eerste joden die zich in 1811 in ‘s-Graveland vestigden waren afkomstig uit Hilversum en Assen. In de hele eerste helft van de negentiende eeuw konden zij nog geen eigen gemeente vormen. In 1859 ontstond er ten gevolge van een conflict een scheuring in de Hilversumse joodse gemeente, wat tot gevolg had dat er een joodse gemeente ‘s-Graveland werd opgericht. In 1906 verloor deze gemeente zijn zelfstandigheid en werd vervolgens weer bij Hilversum gevoegd. Het merendeel van de ‘s-Gravelandse joden was werkzaam als slager.
Op 28 oktober 1863 werd door Hijman de Leeuw-vermoedelijk graf nr.(95)04-, in zijn hoedanigheid van Parnassim (parnassim is meervoud; dus of:-)parnas (of) een van de parnassim der Nederduitsche Israelitische Gemeente te ‘s-Graveland-Kortenhoef bij de burgelijke autoriteiten een verzoek ingediend tot het mogen oprichten van een eigen begraafplaats .
Op den 21 november 1863 werd door de burgemeester M.C. van Pellecom de gevraagde toestemming verleend. Echter werden er nog de navolgende voorwaarden aan verbonden:
Het perceel land gelegen onder deze gemeente nabij de buurt “de Rade” en kadastraal bekend onder Sectie B. no 1922 diende vooraf met eene laag van vijf Nederlandse palmen aarde of zand geheel te worden opgehoogd en die begraafplaats ter behoorlijke hoogte geheel door een hekwerk te worden omsloten.
In 1951 is deze begraafplaats overgegaan in handen van de Nederlands Israelitische Gemeente Hilversum en heeft het zijn huidge kadastrale nummer B 3575 gekregen.
De plaatselijke autoriteiten zorgen tegenwoordig voor het onderhoud van deze begraafplaats, waar nog twaalf grafstenen te vinden zijn.
De bestaande grafstenen behoren allen aan de families de Leeuw en aangetrouwden of Frank.
Alle stenen zijn van personen,welke,sommige meer, enkele minder, genealogisch aan elkaar gerelateerd zijn.

[ Bronnen:
Joods Historisch Museum-website
– en het boekwerk van W.J.Fecken: de Joodse Gemeenschap in ‘s-Graveland en Kortenhoef 1730-1945. ]

Beverwijk – Noord-Holland
De Joodse gemeente van Beverwijk dateert van rond 1800 en verkreeg in 1809 een officiele status. In datzelfde jaar kocht de gemeente een begraafplaats in Wijk aan Zee.
Een jaar later werd het gebouw Spes Mea Deus in de Breestraat te Beverwijk aangekocht en ingericht als synagoge.

Aanvankelijk ontwikkelde de gemeente zich niet voorspoedig en slonk het aantal leden. Dat bracht rond 1815 grote financiele problemen met zich mee.
Hoe de problemen opgelost zijn is niet bekend, maar 25 jaar later was de Joodse gemeente van Beverwijk weer opgebloeid.
De bouw van een nieuwe synagoge in de Breestraat in 1864 werd gesubsidieerd door de plaatselijke overheid. In hetzelfde jaar werd de begraafplaats uitgebreid.
De groei van de gemeente in de laatste helft van de negentiende eeuw maakte in 1873 de bouw van een nieuwe Joodse school noodzakelijk.

Vanaf de twintiger jaren van de twinigste eeuw nam het aantal Joden in Beverwijk gestaag af, mede doordat in Velsen een bloeiende Joodse gemeente ontstond.
Tussen 1935 en 1938 volgden enige Palestina-pioniers een opleiding in de landbouw in de “Kibboets Beverwijk”.

Tijdens de bezetting werden de Joden van Beverwijk net als elders het slachtoffer van de anti-Joodse maatregelen van de bezetter.
In maart 1942 kregen zij het bevel naar Amsterdam te verhuizen, vanwaar zij naar Westerbork en de concentratiekampen in Oost-Europa zijn gedeporteerd en vermoord.
Enige tientallen zijn aan de deportatie ontsnapt, doordat zij wisten onder te duiken. Van de gedeporteerden zijn ongeveer dertig mensen teruggekeerd.

In 1947 werd de Joodse gemeente van Beverwijk bij die van Haarlem gevoegd.
De synagoge, waarvan het interieur tijdens de bezetting vernield was, werd verkocht en vervolgens afgebroken.
In 1951 werd de Joodse begraafplaats geruimd. De stoffelijke resten werden overgebracht naar een speciaal gedeelte van de algemene begraafplaats Duinrust.
De gemeente Beverwijk draagt zorg voor het onderhoud van deze rustplaats.

In november 1997 werd in de Breestraat, op de plaats waar eens de synagoge stond, een gedenkteken onthuld.

In Wijk aan Zee werd rond 1885 de stichting “Herstellings- en Vacantieoord voor Israelietische Kinderen” opgericht.
Rond de eeuwwisseling veranderde de naam in Israelietisch Herstellings- en Vacantieoord te Wijk aan Zee.
Sinds de jaren dertig is de instelling bekend als Joodsche Zee- en Boschkolonies (Jozeboko).
Ook na de Tweede Wereldoorlog brachten veel Joodse kinderen hun vakantie door in Wijk aan Zee.

Op de begraafplaats staan 45 grafstenen, maar het aantal begravenen ligt hoger: meer dan 100.
Waarschijnlijk zijn een aantal grafstenen verloren gegaan in de tijd dat deze in Wijk aan Zee stonden.
Van de 45 grafstenen behoren 28 toe aan de afstammelingen van de familie Davidson (15) of aan met ene Davidson gehuwden(13).
De Davidson’s waren Kohaniem (Cohen-Priester).

[Bronnen: website Joods Historisch Museum & Wikipedia ]
Bussum – Noord-Holland
De eerste Joodse families vestigden zich in het begin van de twintigste eeuw in Bussum. Om het gemeenteleven te stimuleren werd in 1911 de Vereeniging tot Behartiging der Belangen van de Joden opgericht.
Vanaf dat jaar werden er eveneens synagogediensten gehouden in prive-woningen.
Een leraar uit Weesp zorgde voor het Joodse onderwijs.

In 1913 begint bovengenoemde vereniging te ijveren voor de oprichting van een zelfstandige Joodse gemeente in Bussum.
Mede door tegenwerking van de reeds bestaande maar noodlijdende Joodse gemeente van Naarden zou het tot 1917 duren tot Bussum als zelfstandige gemeente erkend werd. De Joodse gemeente van Naarden werd in 1933 officieel opgeheven.

In 1919 werd een synagoge ingericht in een voormalige kerk Deze ruimte werd in 1931 te klein bevonden, waarop er een nieuw gebouw aangekocht werd.
De Joodse gemeente van Bussum was niet in het bezit van een eigen begraafplaats, maar maakte gebruik van de Joodse begraafplaats van Naarden, gelegen aan de Amersfoortse Straatweg.

Naast een kerkbestuur was er in Bussum ook een armbestuur.
Tevens werden er een jeugdsocieteit, een vrouwenvereniging en een zionistische jeugdbeweging opgericht.

In de dertiger jaren van de twintigste eeuw en in het eerste oorlogsjaar kwam er een groot aantal Joodse vluchtelingen naar Bussum en Naarden.
Dit komt duidelijk tot uiting in de begraafplaats, waar het aantal stenen van deze Duitse vluchtelingen opmerkelijk groot is.

In september 1940, toen de Joodse kinderen uitgesloten werden van openbaar onderwijs, werd in Bussum een Joodse school opgericht, die officieel tot februari 1943 bestaan heeft.
In juni 1942 werden de Bussumse joden naar Amsterdam overgebracht en vandaar naar Polen gedeporteerd.

Van de oorspronkelijke Joodse bevolking van Bussum is meer dan de helft in de concentratiekampen omgekomen.
De Duitsers namen het meubilair van de synagoge in beslag, de Tora-rollen en de rituele voorwerpen zijn behouden gebleven.

Na de oorlog is er in Bussum weer een relatief grote Joodse gemeente ontstaan. De synagoge werd in 1956 vergroot en in 1983 gerestaureerd. Een belendend perceel werd aangekocht en als cultureel centrum ingericht.
In oktober 1972 werd in Bussum het Joods Bejaardencentrum Het Gooi geopend.
Dit tehuis werd in januari 1996 weer opgeheven, maar was een bekend instituut in de Joodse gemeenschap in de jaren dat het bestond.

[ Bron: Het Joods Cultureel Kwartier ]
Edam – Noord-Holland
Het jaar 1779 kan beschouwd worden als het oprichtingsjaar van de Joodse Gemeente Edam.
Er was toen een huishoudelijk reglement en een uit Amsterdam overgebrachte Arke met wetsrollen aanwezig.
Moses Berlijn was voorzitter van het kerkbestuur, zijn schoonzoon Marcus Berlijn penningmeester.
Behalve het kerkbestuur was er in Edam ook een armbestuur.
Tot 1791 werd dienst gehouden in huis-synagoges, in april 1791 werd een gebouw tot synagoge verbouwd, die tot 1886 dienst deed.
Toestemming een begraafplaats in te richten kwam op 27 juli 1792, de eerste begrafenis vond plaats op 29 mei 1793.Ook uit de omgeving werd er in Edam begraven.
Tussen 1797 (15 gezinnen met 77 personen) en 1843 (90 personen) bleef het aantal Joden te Edam vrij stabiel.
Na 1850 zette de daling in, waardoor alle gemeentegebouwen (synagoge, bad, schoollokaal) langzamerhand gesloten moesten worden.In 1887 waren er nog maar 3 overgebleven gezinnen in Edam, in 1910 nog maar 1 lid (Benjamin Levi Berlijn).
Van de eens kleine maar bloeiende gemeenschap zijn slechts 14 stenen op de begraafplaats overgebleven.
Uit een bijzondere combinatie van genealogisch onderzoek (gegevens van de Burgelijke Stand, de Database van Ashkenazisch Amsterdam in de 18e eeuw van Akevoth en referenties in de Hebreeuwse teksten van enkele grafstenen) en enig geluk is afgeleid, dat de in Edam toonaangevende familie Berlijn ook de naam Zamesh (Zamosh) droeg, en mogelijk afstamt van een geleerde, Rabbi Itsek van Zamesh (bij Lublin in Polen), en vele varianten van voor-en achternamen bezigde (bv. Hanau).
Dit onderzoek is nog niet afgerond.
De familienaam Berlijn komt voor zowel in de mannelijke als de vrouwelijke lijn.
De tweede veel voorkomende familienaam op de overgebleven en bewerkte stenen is Muller.

[ Bron: F.Schoonheim – De Joodse Gemeente van Edam 1779-1886 ]
Enkhuizen – Noord-Holland
In de zeventiende eeuw woonden er al Joden in Enkhuizen. Vooral in de achttiende eeuw vormden ze een bloeiende gemeenschap, maar met de neergang van de stad nam ook het aantal Joodse inwoners af.
In 1734 verkregen de Joden van Enkhuizen het recht om bij een van de gemeenteleden thuis godsdienstoefeningen te houden. In 1738 werd hen in ruil voor een jaarlijks geldbedrag een begraafplaats in het Bolwerk bij de Koepoort toegewezen. In dezelfde periode werd ook een Joodse godsdienstonderwijzer aangesteld. Midden tachtiger jaren hield een conflict de gemeenschap tijdelijk verdeeld. In 1791 werd nabij de haven op de Zuiderhavendijk een synagoge ingewijd.
In de Franse tijd (1795-1813) kwam door de economische neergang een einde aan de bloeiperiode van de Joodse gemeente van Enkhuizen. Gedurende de hele negentiende eeuw en de eerste decennia van de twintigste eeuw liep het aantal gemeenteleden terug.
Gedurende de bezettingsjaren was de positie van de Joden in Enkhuizen relatief gunstig. Zo weigerde de burgemeester mee te werken aan de verwijdering van de Joodse kinderen uit het openbaar onderwijs. Toen de Enkhuizer Joden in april 1943 gedwongen werden om naar Amsterdam te verhuizen, slaagden zij er vrijwel allen in onder te duiken. Daardoor hebben velen de oorlog overleefd. De synagoge is ongeschonden gebleven.
Na de oorlog zijn er maar een paar Joden in Enkhuizen gebleven. In 1964 werd de Joodse gemeente officieel bij die van Alkmaar gevoegd. De Heilige Ark van de synagoge maakt nu deel uit van collectie van het Joods Historisch Museum. De synagoge fungeert tegenwoordig als christelijke kerk. De Joodse begraafplaats, waar ongeveer 130 mensen begraven werden, wordt onderhouden door de plaatselijke autoriteiten.

[ Bron: Joods Historisch Museum ]
Medemblik – Noord-Holland
Vrij vroeg in de achttiende eeuw vestigden zich Joodse kooplieden in de steden rond de Zuiderzee, waaronder Medemblik.
In 1765 werd aan de Oude Haven, hoek Bangert, een begraafplaats gekocht. De synagoge aan de Gedempte Achterom dateert uit 1808.
In deze periode braken er in de Joodse gemeente van Medemblik conflicten uit. Deze liepen zo hoog op dat het stadsbestuur dreigde met sluiting van de synagoge. Uiteindelijk wist het Consistorie van de Zuiderzee de orde te herstellen.

Gedurende de negentiende eeuw nam het aantal Joden in Medemblik niet toe (*) en in de tweede helft van de eeuw viel er zelfs een teruggang te bespeuren.
Toch had de Joodse gemeente in die tijd nog een voorzanger en een godsdienstonderwijzer.
In 1867 bleek het noodzakelijk de ernstig verwaarloosde synagoge te herstellen.
Het gebouw werd uiteindelijk in 1926 verkocht.

In de periode van het interbellum verhuisden de meeste Joden uit Medemblik naar elders.
Tijdens de bezetting werd in april 1942 het merendeel der nog in Medemblik wonende Joden gedwongen naar Amsterdam te verhuizen.
Vandaar zijn zij naar het oosten gedeporteerd, waar zij in de kampen omkwamen. Een enkeling wist onder te duiken.

In 1950 is de Joodse gemeente van Medemblik opgeheven en bij die van Enkhuizen gevoegd.

De plaatselijke overheid onderhoudt de Joodse begraafplaats. Deze werd in 1985 gerestaureerd.

(*) Aantal Joden in Medemblik:
1809 58
1840 53
1869 18
1899 45
1930 10

[ Bron: Joods Historisch Museum ]
Monnickendam – Noord-Holland
Einde zeventiende eeuw en het begin van de achttiende eeuw bevonden zich reeds enkele Joden in Monnickendam . Het is niet duidelijk in hoeverre Sephardische Joden tot de eerste inwoners van Monnickendam behoorden, en zo wordt gemeld, dat rond 1720 bleef een poging van de stad om, net als in andere steden gebeurde, Portugees-Joodse handelaars aan te trekken zonder succes bleef.
Aan de andere kant wordt vermeld dat in 1717-1718 een aantal Sefardische Joden door belastingschuld verlaten huizen kopen. 
Maar aangezien deze Sephardiem in Amsterdam blijven wonen komen de huizen tussen 1719 en 1723 weer in handen van Monnickendammers. Het is daarom evenmin duidelijk of het Sephardische Joden waren die in 1677 de begraafplaats aan de westkant van de Zuiderpoort toegewezen kregen. Vanaf eind 17e eeuw was er een lommert, die door diverse Joodse pachters werd geleid. De Joodse gemeente organiseerde zich waarschijnlijk rond 1787.  In 1811 moest er een achternaam worden aangenomen en de namen die in Monnickendam werden gekozen waren Leuw,  Reijnaar, Witmond, Lamel (?) , Mol en Monnickendam. De economische situatie in Monnickendam was erg slecht; er was dan ook geen geld om een godsdienstonderwijzer aan te stellen.
In deze slechte tijden deden zich diverse antisemitische relletjes voor, hetgeen de schout en schepenen noopten op 15 september 1696 maatregelen te treffen tegen – met name – de jeugd die vooral leden van “de Joodse natie” nawijzen, naroepen, de gek steken, slaan en met stenen bewerpen. 
Een boete van 12 gulden bij overtreding wordt in het vooruitzicht gesteld.  De synagoge (naar het blijkt, de derde gebedsplaats), die in 1814 ingewijd werd, ging in 1894 in vlammen op. 
In hetzelfde jaar werd een nieuwe synagoge in gebruik genomen.
Er was dus echter voordien een synagoge, die in 1715 weer verdween. Nadien was er ook weer een synagoge tussen 1767 en 1785,  die ook weer werd opgeheven. Er was een kerkbestuur van twee leden, waarvan er een ook als penningmeester voor het Heilige Land fungeerde. Al in 1677 hadden de Joden een begraafplaats toegewezen gekregen aan de westkant van de Zuiderpoort buiten de Stadswal.
Hiertoe was een verzoek ingediend door drie Joodse families.
In 1783 kreeg men toestemming om een muur om deze begraafplaats te plaatsen. 

Deze begraafplaats is een van de oudste Joodse begraafplaatsen in Nederland. In de eerste decennia van de twintigste eeuw liep de Joodse bevolking van Monnickendam zodanig terug dat er vanaf 1932  alleen nog op de Hoge Feestdagen diensten in de synagoge gehouden werden. 
De Torarollen werden daarom in bruikleen gegeven aan de Joodse gemeente van Zandvoort,  later gingen de Toramantels en de rituele voorwerpen naar de Joodse gemeente van Alkmaar. Tijdens de bezetting werden de Joden van Monnickendam gedwongen naar Amsterdam te verhuizen. 
Vervolgens zijn zij naar het oosten gedeporteerd en daar vermoord. 
Slechts een enkeling wist de verschrikkingen van de kampen te overleven of kon onderduiken. 

Een monument tegenover de Grote Kerk vermeldt de namen van alle vermoorde Monnickendamse Joden. De Joodse gemeente is in 1950 bij die van Amsterdam gevoegd. De synagoge aan de Havenstraat is na de oorlog verkocht.

De plaatselijke overheid onderhoudt de begraafplaats.
Santpoort – Noord-Holland
De drie grafstenen zijn allen van Joodse patienten overleden in het Provinciaal Psychiatrisch Ziekenhuis “De Meerenberg” (Merenberg, Meerenburg) te Bloemendaal nabij Santpoort.