Overijssel

Afgerond onderzoek naar begraafplaatsen in Overijssel

Blokzijl – Overijssel
In de 18e eeuw woonden in Blokzijl enkele Joodse families.De bronnen geven aan, dat er in 1763 een synagoge was (deze werd omstreeks 1930 afgebroken)..
De Joodse gemeente (Blokzijl en Vollenhove) bestond in 1807 uit 31 leden, in 1854 uit 80 leden.
De Joodse begraafplaats ligt binnen de voormalige omwalling en heeft 11 grafstenen.

[ Bron: Artikel “De Noordwesthoek van Overijssel, Vollenhove, Blokzijl en Giethoorn” – Bulletin van de Kon.Ned.Oudheidkundige Bond,jrg.73 Mei 1974 ]
Borne – Overijssel
In 1339 woonden er enkele Joden in Borne, maar meer dan dat zij de schuld kregen van de uitgebroken pest, is niet over hun bekend. In 1695 was er opnieuw sprake van Joden in Borne. Bij de indeling van de Joodse gemeenten in de Franse tijd was Borne slechts een bijkerk onder Goor. Pas in 1838 werd de kille zelfstandig. Bij het vestigen van de katoenindustrie in Borne, veroorzaakt door de armoede en de lage lonen, speelde de familie van Salomon Jacob Spanjaard -steen (150)007- de hoofdrol. Hij bouwde een van de grootste textielfabrieken in Nederland op, en rond 1900 was meer dan de helft van de Bornse arbeiders er werkzaam. De grote financiele middelen van de Spanjaards kwamen niet alleen Borne in het algemeen, maar ook de Joodse gemeenschap ten goede.
Door hun steun kon in 1867 een chazzan aangetrokken worden, die teven sjocheet en godsdienstleraar was.
Het godsdienstschooltje werd gesticht in 1897.
Deze-Migchael Mogendorff-was zeer gewaardeerd en deed vele jaren dienst, tot hij in 1907, na zijn ambtsbe’eindiging naar Arnhem vertrok. Met circa 160 leden bereikte de kille rond 1900 haar grootste omvang.Daarna ging het achteruit, zodat bij de aanvang
van de Tweede Wereldoorlog er nog maar 117 leden waren, waarvan 79 werden gedeporteerd, die op 5 na allen omkwamen.
Verder zijn er nog 5 personen vanuit Borne gedeporteerd en in de kampen vermoord die hier ondergedoken zaten, maar van buiten Borne kwamen. En er is nog een persoon in de onderduik overleden. De sjoel werd in 1964 gesloten en in de zeventiger jaren kwam er ook een eind aan de Spanjaardfabrieken, die nadien voor het grootste gedeelte werden afgebroken. De tweede begraafplaats aan de Twijnerstraat, welke in 1848 in gebruik werd genomen, staat op de rijksmonumentenlijst, niet in het minst om de statige graven van de familie Spanjaard. Van de eerste begraafplaats waarover de Joden van Borne de beschikking kregen midden in de 18e eeuw, werden de 25 stoffelijke resten en de drie grafstenen -stenen 180,181,182-in 1960 ook naar deze begraafplaats overgebracht.

[ Bron: “Gids van joods erfgoed”-Jan Stoutenbeek & Paul Vigeveno (2016) -NUR 680-ISBN 978 90 5937 450 8 – pag.399 en 402
Stamboom Mogendorff bij Amoeta Akevoth
Informatie verstrekt door Annette Evertzen(Borne) ]
Dalfsen – Overijssel
Dalfsen telde reeds in 1760 joodse inwoners. In 1813 woonden er vijf joodse gezinnen waarvan er vier armlastig waren. Synagogediensten werden gehouden ten huize van het hoofd van de gemeente, die tevens een godsdienstleraar in huis had ten behoeve van de joodse kinderen.
In 1838 werd de joodse gemeente zelfstandig. De synagoge aan de Julianastraat werd in 1866 ingewijd.
Op de dag van de inwijding (28 augustus 1866) bestond de Israelitische gemeente van Dalfsen uit 34 personen, de meesten behorende tot 5 families, die grote bekendheid hebben verworven, te weten:- de families Themans, Vomberg, Steren, Van Essen en Frank.
Het aantal Israelieten in Dalfsen was na 1930 zo klein geworden (de familie L.L.Vomberg verhuisde o.a. op 23 april 1930 naar Ommen), dat het zelfstandig voortbestaan niet langer mogelijk of wenselijk bleek.

Op 23 juni 1937 werd de Isr.Gemeente te Dalfsen als ontbonden verklaard en haar gebied ingedeeld bij de Ned.Isr.Gemeente van Zwolle.
De leden van de ontbonden gemeente werden door de de Ned.Isr.Gemeente van Zwolle als leden aangenomen.
De begraafplaats werd bij deze transactie ook overgedragen aan de Ned.Isr.Gemeente te Zwolle en in 1966 aan het Ned. Israelitisch Kerkgenootschap te Amsterdam.
De heren D.Steren en Israel van Essen hadden recht op een vrije grafstede op de Israelitische begraafplaats te Dalfsen, zowel voor zich als voor hun echtgenote, op voorwaarde, dat zij aan hun verplichtingen ten opzichte van Ned.Isr. gemeente van Zwolle bleven voldoen (14 gld. jaarlijks voor D.Steren en 50 gld. voor Isr. van Essen).
Terwijl op 28 augustus 1866 de nieuwe synagoge van Dalfsen ingewijd werd, kreeg de gemeente pas in het jaar 1878 beschikking over een begraafplaats (De in 1878 overleden Izak Steren was mogelijk het eerste aldaar begraven gemeentelid; alle andere stenen zijn van een latere datum.).Het is niet duidelijk waar de overleden gemeenteleden van Dalfsen werden begraven voor het jaar 1878.
De begraafplaats wordt sinds 1958 onderhouden door het plaatselijke gemeentebestuur.

[ Bronnen:
1. De synagoge van Dalfsen-Huis van samenkomst in vroegere tijden….Historisch overzicht, vervaardigd in opdracht van het gemeentebestuur van Dalfsen en geschreven door W.Stappenbelt, chef van de afdeling Interne Zaken en Voorlichting van de gemeentesecretarie van Dalfsen-13 april 1984
2. Website van het Joods Historisch Museum te Amsterdam ]
Dedemsvaart – Overijssel
Deze begraafplaats kan beter aangegeven worden als Avereest-Dedemsvaart, aangezien de begravenen aldaar, zoals alle personen van deze voormalige gemeenschap, in de genealogische bronnen bijna uitsluitend te vinden zijn onder Avereest. Ook woonden er enige families in het naburige Balkbrug, bijv. stenen (18)17 en (18)18.
De oudste Joodse begraafplaats dateert van 1844 (hier zijn geen stenen meer aanwezig).In 1883 werd een gedeelte van de algemene begraafplaats tot Joodse begraafplaats bestemd.Deze wordt beheerd door de plaatselijke autoriteiten en is in oktober 2003 op de monumentenlijst geplaatst.
De resterende grafstenen behoren bijna alle tot aan elkaar gerelateerde personen. De meest voorkomende familienamen zijn Leman, Denneboom, Philipson en Spier.
Het eerste document aangaande een Joodse gemeenschap in Dedemsvaart is van 3 september 1835, en vermeldt het bestaan van een gehuurde synagogale ruimte.
Dit schrijven was gericht aan de Rabbijn en betrof het verzoek erediensten te mogen houden in een kamer van de woning van een weduwe, ergens in de veenkolonie Dedemsvaart in opkomst.
Straatnamen en huisnummers waren toen nog onbekend. Er waren toen 15 personen die voor een minjan konden zorgen.
Het verzoekschrift werd ingediend door de wethouder, in wiens herberg in Balkbrug men tot dat moment onderdak had gehad.
Het verzoek betrof het mogen ontvangen van een Sepher Thora (Joodse Wetrol).
In 1836 werd de joodse gemeente officieel erkend. De synagoge aan de Markt werd gebouwd in 1856 en is tot aan de bezetting in gebruik geweest.
Van 1854 tot de bouw van deze nieuwe synagoge was er een synagoge ten zuiden van Dedemsvaart.
Uit de Joodse pers blijkt, dat er in de tweede helft van de 19e eeuw veel tweedracht heerste in de gemeente, hetwelk ook doordrong tot de Opperrabbijn.
Van 2 bestuursleden, Philip Spier(18)22 en Izak Meijer de Bruin (hij was tevens ritueel slachter)(18)15, maken zowel de teksten van de grafstenen als de Joodse pers melding van hun langdurig in functie zijn.
Vooral I.M. de Bruin werd keer op keer herkozen, waardoor hij uiteindelijk 50 jaar lang de gemeente diende.
De Joodse gemeenschap in Avereest had tot voor de vernietiging in de tweede wereldoorlog een belangrijke plaats in het maatschappelijk leven in deze gemeente. Het slagersvak was sterk favoriet; er waren vijf Joodse slagers in Dedemsvaart. Tevens waren er Joodse ondernemers in de textielhandel.
De Joodse gemeenschap in Avereest telde op een gegeven moment 55 tot 60 personen. Behalve een Joodse school was er in Dedemsvaart ook een vrouwengenootschap dat zich bezig hield met aanschaf en onderhoud van de rituele voorwerpen.
Vrijwel de gehele Joodse bevolking van Dedemsvaart werd gedeporteerd en in de concentratiekampen omgebracht; slechts een enkeling wist zich te redden door onder te duiken.
De Joodse gemeente van Dedemsvaart werd in 1947 ontbonden en bij die van Zwolle gevoegd.
De synagoge, die inmiddels was overgegaan in particulier bezit, werd in 1988 afgebroken.

[ Bronnen:
website Joods Historisch Museum
website Historische Vereniging Avereest-Balkbrug
Ben Noach-genealogisch onderzoek t.b.v. de stamboom Mogendorff ]
Delden – Overijssel
Net als in andere plaatsen dicht bij de oostelijke grens vestigden zich in Delden al vroeg uit Duitsland afkomstige Joden.
Zowel in 1695 als in 1710 worden namen van Joden vermeld in gerechtelijke stukken.

Het aantal Joodse inwoners van Delden is altijd betrekkelijk klein gebleven.
In 1838 werd Delden als een zelfstandige Joodse gemeente erkend.
De gemeente had een eigen synagoge, gebouwd in 1760, en twee begraafplaatsen.

De oudste begraafplaats is sinds 1786 niet meer in gebruik. De oudste grafsteen dateert uit 1764.
De andere begraafplaats, De Plaai, staat sinds 1970 op de monumentenlijst.
Het is deze tweede begraafplaats die hierbij gedigitaliseerd is.
De begraafplaats, werd eind 20ste eeuw gerestaureerd door Alex Groenheim, de laatste Joodse slager uit Delden.
Zijn grafsteen (19)28 is een van de 39 die er op deze mooie plek te vinden zijn.

Beide begraafplaatsen worden tegenwoordig onderhouden door de plaatselijke autoriteiten.

Tijdens de Duitse bezetting werd het merendeel van de Deldense Joden gedeporteerd en vermoord.

Na de oorlog is de synagoge verkocht en, na een tijdje gediend te hebben als opslagplaats, afgebroken. Een gevelsteen van het gebouw wordt bewaard in het Rijksmuseum Twente te Enschede.

In 1947 werd de Joodse gemeente van Delden opgeheven en aanvankelijk bij die van Enschede gevoegd, maar sinds 1974 behoort ze bij Hengelo.

[ Bronnen:
Joods Historisch Museum-website]
website canon van Overijssel-canon Hof van Twente ]
Den Ham – Overijssel
In het dorp Den Ham komen twee Joodse begraafplaatsen voor.
De oudste begraafplaats, waarvan het onderhoud in 1952 door de burgerlijke gemeente is overgenomen, heeft geen grafstenen meer. In 1960 is door het Nederlandse Israelitische Kerkgenootschap daarop een gedenksteen verzorgd als toekomstige herkenningsplaats. Op de steen staat onder de woorden “Joodse Begraafplaats” de afkorting T.N.Ts.B.H.

De geschiedenis van de Joodse inwoners van Den Ham ligt nergens geordend vast en was vrijwel uitsluitend op te tekenen uit mondelinge overlevering en fragmentarisch onderzoek. Bij eerste onderzoekingen heerste er twijfel of, althans in de 19de eeuw, Den Ham een afzonderlijke Joodse Gemeente was. Echter bij toeval werd in Israel een aanvullend document gevonden door H.Beem, waaruit blijkt, dat er in de 19de eeuw toch pogingen zijn aangewend door ene Abraham Brandes om zelfstandige Shabbatdiensten te houden in een huissynagoge. In ieder geval blijkt hieruit, dat er in 1857 een “minjan” (een groep van 10 kerkelijke meerderjarige mannen) in Den Ham woonde. Anders kon er namelijk geen openbare synagogedienst plaatsvinden. Er is geen enkele aanduiding gevonden dat er naast een huissynagoge ook een Joodse school heeft bestaan.
Deze “huissynagoge” hoeft ook niet uitdrukkelijk te wijzen op het bestaan van een “georganiseerde” gemeente. Blijkens een verordening van 1906 behoorde Den Ham tot de Nederlandse Israelitische Gemeente te Ommen. Deze laatste gemeente is in 1947 ontbonden en gevoegd bij de Nederlandse Israelitische Gemeente Zwolle. Bij een herindeling van gemeenten is Den Ham in 1948 gevoegd bij de Nederlandse Israelitische Gemeente Almelo.
In 1919 werd een missive van het kerkbestuur Borne besproken, handelend over een onbeheerde begraafplaats in Den Ham, waarbij blijkt dat de Joden in Den Ham financieel niet in staat waren hieraan iets te verbeteren. Daarom vraagt Ommen (waartoe Den Ham toen behoorde) om een subsidie. Te veronderstellen is, dat de subsidieaanvraag betrekking had op de oude begraafplaats .
Op de (nieuwe) Joodse begraafplaats bevinden zich zichtbaar nog vijf grafstenen, namelijk twee met een uitsluitend Hebreeuwse tekst, twee met een Hebreeuwse en een Nederlandse tekst en een met uitsluitend Nederlandse tekst.
De familienamen die in Den Ham hoofdzakelijk naar voren kwamen , waren Brandes/Brandis, Lievendag, Wolff en Schlosser. De familie Brandes was een der oudste Joodse geslachten woonachtig in Den Ham, waarvan genoemde Abraham Brandes ongetwijfeld in Den Ham een vooraanstaand Joods ingezetene is geweest.

[ Bron:
H. Konijnenberg, De Joden en hun begraafplaatsen in Den Ham, gepubliceerd in 13 afleveringen in de Koerier van 1972-1973, in de Rubriek van de Oudheidkundige Vereniging Den Ham- Vroomshoop. Een fotokopie is aanwezig in map nr. 94-Den Ham in de genealogische sectie van de bibliotheek van de Stichting voor Onderzoek van de Geschiedenis van het Nederlandse Jodendom, Hebreeuwse Universiteit, Jeruzalem. ]
Den Nul – Overijssel
De Joodse begraafplaats van Den Nul behoort met 1 steen tot de kleinsten van Nederland, maar is wat dat betreft niet de enige (o.a. ook Ruinen, Urmond). 
H.J.van Baalen schrijft erover in “Joods Leven Deventer en omstreken” (2007-pag.155) “Het vermoedelijk meest vergeten Joodse begraafplaatsje van Nederland in Den Nul (gemeente Olst) waar de grafsteen van Marianne [m.z.Mariana] Zendijk-van Spiegel (1825-1914) nog herinnert aan het Joodse leven aldaar.” 
Inmiddels is het begraafplaatsje echter omheind met een hekwerk en voorzien van duidelijke aanwijsborden. 
De foto is uit H.J.van Baalen “Joods Leven Deventer en omstreken’-eerste druk (1997)
Dhr. Ruben Vis (NIK) wist mee te delen uit eigen waarneming, dat er na de oorlog meer stenen aanwezig waren. Hij spreekt over 3-5 zerken met Hebreeuwse teksten. Ook meldt hij:
“Later is er een woonwijkje gekomen en hebben buurtbewoners een bordje er bij geplaatst en de laatste zerk omhekt. Het NIK heeft er bemoeienis mee, maar de grond is particulier eigendom van een groot aantal nazaten.” 
Tevens behoort de steen bij de geschiedenis van de tot 1970 bestaand hebbende exportslagerij van Zendijk in Olst, die in heel Nederland bekend was, als ook de relatie met de Twellose Exportslagerij van de Van Spiegel’s aldaar, de familie waar Mariane toe behoorde. 
Hierover H.J. van Baalen op pag. 156:
“…er was sprake van een op basis van traditionele voorschriften te verklaren, oververtegenwoordiging van Joden in de vee-en vleeshandel(ritueel slachten). De grootste Joodse exportslagerij in Nederland was die van Zwanenburg in Oss, maar ook de vleesfabriek van Zendijk in Olst telde in Nederland mee. 
In 1919 nam Joseph Aron Zendijk van de slachterij uit Olst de Twellose Exportslagerij over.
In Twello was die in moeilijkheden gekomen, omdat de uitvoer van baconspek naar Engeland stagneerde vanwege de onbeperkte duikbootoorlog van de Duitsers [in de Eerste Wereldoorlog]. 
De familie van Joseph Aron bezat reeds aandelen.Zijn moeder was Marianne [Mariane] van Spiegel….”
Denekamp – Overijssel
De geschiedenis van de Joden in Denekamp gaat terug tot het begin van de achttiende eeuw; bronnen maken melding van Joodse inwoners in 1720.
De Joden uit Denekamp vormden samen met die van Ootmarsum een gemeente. Aanvankelijk werd gebruik gemaakt van een begraafplaats in Ootmarsum, vanaf het begin van de negentiende eeuw werd begraven in Denekamp.
De oudste grafsteen op deze “oude” begraafplaats dateert van 1817 en is die van Esther Hompes-Bendien -nr. (58)15.
De jongste is die van Salomon Suskind, die hier in 1899 ter aarde werd besteld-nr.(58)09. Na dit jaar werd deze begraafplaats vervangen door een andere. Deze laatste begraafplaats werd tot 1942 gebruikt.

De Joodse gemeenschap van Denekamp bleef in de loop van de negentiende eeuw gestaag groeien, maar toch was er geen ritueel bad en geen godsdienstschool. De synagoge werd in 1845 ingewijd.
In 1949 werd deze afgebroken. Vanaf 1906 hoorde de joodse gemeente van Denekamp officieel bij Oldenzaal, maar zij bleef zelfstandig functioneren.
Na de opheffing van de Joodse gemeente van Oldenzaal in 1913 werd Denekamp als zelfstandige Joodse gemeente erkend.

Gedurende de Duitse bezetting zijn vrijwel alle Denekampse joden via Westerbork naar het Oosten gedeporteerd en daar vermoord.

De Joodse begraafplaatsen worden onderhouden door de plaatselijke autoriteiten. Het aantal Joden in Denekamp was in 1748: 21 en groeide tot 54 in 1930. De voornaamste families waren Salomons, Ten Brink, Suskind en Elkus. Vier van de 18 grafstenen dragen de familienaam Ten Brink.

[ Ontleend aan:
De website van het Joods Historisch Museum te Amsterdam
– en “Meer dan twee eeuwen Joodse gemeenschap in Denekamp (20.11.2007)-artikel-door Jos Knippers ]
Diepenheim – Overijssel
Volgens overlevering woonde er rond het midden van de veertiende eeuw in Diepenheim een Joodse geldschieter.
Tijdens de vervolgingen, die voortvloeiden uit de pestepidemie van 1348, is hij vermoedelijk vermoord.

Pas in de zeventiende eeuw is er weer sprake van Joden in Diepenheim en in de achttiende eeuw woonden er enige Joodse families in de plaats.

In het begin van de negentiende eeuw had Diepenheim een eigen Joodse gemeente, waarvan de meeste leden armlastig waren.
In de loop van de eeuw verbeterde de economische omstandigheden. In 1821 verliest de Joodse gemeente van Diepenheim zijn autonomie:
vanaf dat moment valt ze onder de Ringsynagoge Goor. Rond 1855 werden de godsdienstoefeningen in Goor in een synagoge gehouden;
de begraafplaats aan de Hazendammerweg dateert van 1857.

Een jaar later wordt Diepenheim weer officieel als Bijkerk erkend.
Deze zelfstandige positie gaat in 1877 voorgoed verloren, wanneer de Joodse gemeente van Diepenheim weer bij die van Goor gevoegd wordt.
De Joodse begraafplaats valt tegenwoordig onder Monumentenzorg en wordt onderhouden door de gemeente-instanties van Diepenheim.

De Joodse medeburgers speelden een actieve rol in de Diepenheimse gemeenschap.
Onder hen waren leden van de plaatstelijke harmonie, toneelvereniging en voetbalclub.

Het aantal Joden in Diepenheim liep van 26 in 1809 terug tot 8 in 1930, met een hoogtepunt in de midden van de 19e eeuw (35 in 1869).

[ Bronnen:
Joods Historisch Museum-website
Canon van Diepenheim-verdwenen Joodse medeburgers 1940-1945 ]
Goor – Overijssel
De vroegste vermelding van Joden in Goor dateert uit de eerste helft van de veertiende eeuw. Daarna wordt er tot aan de zeventiende eeuw niets over Joden bericht.

In de tweede helft van de zeventiende eeuw kregen enkele Joden toestemming om in Goor te komen wonen. Gedurende de achttiende eeuw woonden zowel in Goor als in het nabijgelegen dorp Markelo enige Joodse families. Dit bracht het plaatselijk bestuur herhaaldelijk in conflict met de provinciale autoriteiten, die de vestiging van Joden in Twente probeerde te beperken.

Vanaf 1720 hadden de Joden van Goor de beschikking over een eigen begraafplaats: ze begroeven hun doden op de Borghoek, een terrein bij de Enterseweg, achter de huizen van de Molenstraat.

De voornaamste groei van de Joodse gemeenschap te Goor vond plaats in de negentiende eeuw.
De gemeente was arm. Er was geen Joodse school, maar de kinderen kregen wel les van een godsdienstonderwijzer.
In 1821 werden de Joodse gemeenschappen van Goor, Diepenheim en Markelo tot 1 Ringsynagoge samengevoegd.
De synagoge stond aan de Malmberg, nu Schoolstraat geheten en werd voor 1870 in gebruik genomen.

Er waren twee begraafplaatsen – in Goor en in Markelo – die momenteel door de plaatselijke autoriteiten worden onderhouden.
Het ‘Jodenkerkhof Stokkumeresch’ in Markelo was al vanaf het midden van de negentiende eeuw in onbruik geraakt.

De oude synagoge in Goor werd in 1902 vervangen door een nieuwe.
Binnen de Joodse gemeenschap van Goor bestonden drie genootschappen, die zich bezighielden met het begrafeniswezen, het opvangen van vreemdelingen en de verbreiding van het Joodse bewustzijn.
Heel belangrijk voor de economische ontwikkeling van Goor waren de eerste weefschool in de plaats, opgericht door de gebroeders Lavino, en de NV Twentsche Stoombleekerij, opgericht door G. Salomonson.

In de dertiger jaren van de twintigste eeuw kwam er een klein aantal vluchtelingen naar Goor.
Bij een aanval van NSB-ers op Joodse inwoners van Goor in juli 1941 werd een vrouw gedood.
Het overgrote deel van de Joden werd gedeporteerd en vermoord, de overigen slaagden erin onder te duiken en zo te overleven.
De synagoge werd tijdens een bombardement in april 1945 beschadigd en is na de oorlog afgebroken.
In 1948 is de Joodse gemeente ontbonden en bij die van Enschede gevoegd.
Op de begraafplaats, die sinds 1970 op de monumentenlijst staat, bevindt zich een gedenksteen, ter herinnering aan de weggevoerde Joodse inwoners van Goor.

Aantal Joden in Goor en omgeving:
1748  13
1809 238
1840 117
1869  93
1899 144
1930  47

[ Bron: website van het Joods Historisch Museum
zie ook: The Tryptich (het Drieluik)- subsectie Kehilloth-Goor ]
Haaksbergen – Overijssel
Eind zeventiende eeuw vestigde de eerste Jood zich in Haaksbergen. Het was een ritueel slachter, tevens handelaar. In tweede helft van de achttiende eeuw woonden er meerdere Joden, ondanks tegenwerking van de Twentse autoriteiten. Aan het begin van negentiende eeuw bestond er een kleine Joodse gemeente van rond de vijftig personen. Het merendeel van hen was armlastig.
Aanvankelijk werden de godsdienstoefeningen gehouden in huissynagogen, totdat er in 1825 een stuk grond werd aangekocht om een synagoge te bouwen. Het nieuwe gebouw kon in 1828 in gebruik genomen worden, hoewel er van katholieke zijde bezwaren gemaakt werden. Vrijwel tegelijkertijd scheidde de Joodse gemeente Haaksbergen zich af van die van Goor en werd zelfstandig. De begraafplaats werd al in de veertiger jaren van de achttiende eeuw in gebruik genomen en in 1867 uitgebreid.
De meeste Joodse inwoners van Haaksbergen hielden zich bezig met handel en rituele slacht. In 1885 stichtte Salomon Frankenhuis een lompenverwerkingsfabriek. Naast een kerkbestuur waren er twee genootschappen actief: de ene voor begrafenissen en Talmoedstudie en de andere een vrouwengenootschap voor het onderhoud van de synagoge. Het Joodse godsdienstonderwijs werd verzorgd door een rondreizende onderwijzer.
In 1908 werd het aan de synagoge grenzende mikwe gesloopt en het daarnaast gelegen leslokaal omgebouwd tot mikwe. De kinderen kregen vanaf dat moment Joodse les in de openbare school.
De Joodse gemeente groeide langzaam tot rond de zestig leden in het begin van de twintigste eeuw. Daarna zette een licht verval in, wat weer teniet gedaan werd door de komst van een aantal vluchtelingen uit Duitsland aan het eind van de dertiger jaren .
In 1941 werd een derde deel van de Joodse inwoners van Haaksbergen gedeporteerd en in de vernietigingskampen omgebracht. De overigen doken onder, voor het merendeel bij plaatsgenoten. De synagoge bleef ongeschonden, net als een deel van de inboedel.
Hoewel er na de oorlog nog Joden in Haaksbergen woonden, was het in 1967 niet langer mogelijk synagogendiensten te houden. De gemeente werd in 1972 opgeheven en bij die van Hengelo gevoegd. Het rituele bad werd in 1978 gesloopt, de synagoge werd op initiatief van een plaatselijk comite behouden en in 1982 gerestaureerd. Het gebouwtje is nu in gebruik als synagoge van de Liberaal Joodse Gemeente Twente. De Joodse begraafplaats staat op de monumentenlijst en wordt sinds 1991 onderhouden door de plaatselijke autoriteiten.

[ Bron: Joods Historisch Museum ]
Hardenberg – Overijssel
De Joden in Hardenberg

In het begin van de achttiende eeuw vestigde de eerste Jood zich in Hardenberg. Hij is de eerste die op de latere eerste begraafplaats, het Jodenbergje, begraven wordt.
In de zestiger en zeventiger jaren van de achttiende eeuw ondervinden Joden nog veel problemen wanneer zij zich blijvend in Hardenberg willen vestigen.
Toch neemt hun aantal vanaf die tijd gestaag toe.

Rond 1824 werd Hardenberg erkend als een zelfstandige gemeente binnen het kader van het Nederlands Israelitisch Kerkgenootschap, daarvoor hoorde de gemeente bij Deventer.
De eerste synagoge die de groeiende gemeente in 1855 in gebruik nam lag aan het Oosteinde. In 1903 verhuisde men naar een ander gebouw, eveneens aan het Oosteinde gelegen.
Vanaf het einde van de negentiende eeuw werd er niet meer op het Jodenbergje begraven. In 1901 werd een nieuwe begraafplaats langs de Gramsbergerweg in gebruik genomen.

Naast het kerkbestuur waren er in de tweede helft van de negentiende eeuw in Hardenberg een studiegenootschap, een vrouwengenootschap en een begraafgenootschap actief.
In de dertiger jaren van de twintigste eeuw bestonden er naast een tennisclub ook een zang-, handels- en toneelvereniging.

De godsdienstonderwijzer was tevens werkzaam als voorzanger en ritueel slachter en werkte ook voor Joodse gemeenschappen in de omgeving.
De Hardenberger Joden waren werkzaam als ritueel slachter, klerenhandelaar, kleermaker, drukker en kleinhandelaar. R.E. de Bruin, eigenaar van een drukkerij en uitgever van de plaatselijke krant ‘De Vechtstreek’ speelde ook een prominente rol in het openbare leven.

Tijdens de bezettingsjaren deelden de Hardenbergse Joden het lot van de andere Joden in Nederland.
In de loop van 1942 en 1943 werden zij voor het overgrote deel via de doorgangskampen in Nederland naar Polen gedeporteerd.
Slechts een enkeling keerde terug of wist door onder te duiken te overleven.

In 1947 werd de Joodse gemeente Hardenberg officieel opgeheven en bij die van Almelo gevoegd. De synagoge is in 1948 verkocht en uiteindelijk in 1980, ondanks protest, afgebroken.
In 1987 besloot de gemeenteraad om een plein in de buurt van de voormalige synagoge te vernoemen naar Israel Emanuel, de eerste Joodse inwoner van Hardenberg.
Op 20 april 2005 werd een gedenksteen onthuld, die aangebracht is in de vloer van de winkelstraat in Hardenberg, ter hoogte van de plek waar vroeger de synagoge stond.

[ Bron: Joods Historisch Museum ]

De begraafplaatsen

Hardenberg heeft twee Joodse begraafplaatsen, deze, de nieuwe, en de oude Hardenberg Holt (“het Jodenbergje”) – code (73).

De nieuwe Joodse begraafplaats ligt ten oosten van het centrum van de stad, aan het zogenaamde Mulopad.

Oorspronkelijk lag de begraafplaats buiten Hardenberg, omdat lijken volgens de Joodse religieuze wetten onrein zijn, en dus niet in de stad thuishoren.
De Joden namen de begraafplaats begin 1900 in gebruik, nadat het Jodenbergje, de begraafplaats die ze tot dan toe gebruikten, vol was.
De eerste begrafenis vond plaats op 09-10-1901
In 1943 werd voor het laatst begraven, en wel een op 20-03-1943 overledene.

In de Tweede Wereldoorlog hebben Duitsers verschillende grafstenen voor schietoefeningen gebruikt, waardoor enkele in zeer slechte staat zijn.
Dit had geen invloed op het vaststellen van de identificatie van alle grafstenen.
In 1995 werd de begraafplaats voorzien van een muur en toegangshek, waarin verschillende Joodse symbolische elementen zijn verwerkt.
Zo staat psalm 118:19 in het Hebreeuws en Nederlands in de muur: Open voor mij de poorten van de gerechtigheid, ik wil binnengaan om de Heer te loven.
Ook bevindt zich aan de binnenzijde van de muur een gedenkplaat met daarop namen van Joden uit Hardenberg die in de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen.

Aan het Mulopad zijn thans 33 grafstenen bewaard. De begraafplaats is een gemeentelijk monument.

[ Bron: Wikipedia – enige onjuistheden aldaar bijgesteld ]
Hardenberg (’t Holt) – Overijssel
Hardenberg Holt – het Jodenbergje

Hardenberg Holt, beter bekend als “het Jodenbergje”, is de eerste en oudste Joodse begraafplaats van Hardenberg en is uniek onder de Joodse begraafplaatsen in Nederland.

Dikwijls beschreven is dit echter de eerste maal, dat het volledig genealogisch in kaart is gebracht, en de overledenen, aan wie de grafstenen toebehoren, allen zijn geidentificeerd.

Wikipedia geeft hierover (bijgesteld) :
De oude begraafplaats is gelegen op een kleine terp bij de Overijsselse Vecht, waardoor deze de naam Jodenbergje (Nedersaksisch: Jeudenbarchien) gekregen heeft.

Het Jodenbergje wordt door historici gekenmerkt als een van de meest merkwaardige Joodse begraafplaatsen in Nederland.
Wanneer de heuvel is aangelegd is niet bekend.
Mogelijk was deze heuvel oorspronkelijk een motte, een kunstmatig aangelegde aarden heuvel waarop een middeleeuwse versterking heeft gestaan.

De oudste zerk die nog leesbaar is zegt dat hier de vader der (voor)vaderen Eliezer zoon van Menachem (Israel Emanuels) begraven ligt.
Deze oudste (*) van de Joodse gemeenschap in Hardenberg heeft er in 1765 (dit moet zijn 1766 en het Joodse jaar op de steen is onjuist) zijn rustplaats gevonden.
In feite heeft Israel Emanuel 2 stenen – (73)11 de originele en een hernieuwde steen na afbrokkeling onder code (73)09.

(*)-De bewering in diverse bronnen, als zou hij de oudste, en mogelijk de enige Joodse inwoner van Hardenberg zijn geweest, wordt weerlegd door de bevindingen van Dinah Hesselink-Zweers en de Historische Vereniging Hardenberg.
Voor verdere details hierover-zie grafsteen (73)09.
Hij is dan ook wel een van de oudste, maar niet de alleroudste Joodse inwoner van Hardenberg waarvan de grafsteen bewaard is gebleven.

De begrafenissen werden per boot gedaan als de Vecht buiten haar oevers getreden was, en per slee als er ijs lag.

De laatste begrafenis vond plaats aan het eind van de 19e eeuw.
Hierna werden de Joden begraven op de nieuwe Joodse begraafplaats, ten oosten van Hardenberg.
Op het Jodenbergje zijn in totaal 53 grafstenen bewaard gebleven.

In 2000 werd het Jodenbergje aangewezen als rijksmonument.

Voor een algemene beschrijving van de Joodse Gemeente te Hardenberg-zie Nadere Wetenswaardigheden bij Hardenberg (code 72)

[ Bron: Wikipedia ]
Hasselt – Overijssel
In de 16e eeuw is er sprake van twee Joodse artsen die er na 1563 enkele jaren woonden.Ook is er een proces bekend waarin een Jood verwikkeld was in de 17e eeuw.

In de laatste drie decennia van de achttiende eeuw was de Bank van Lening door een Jood gepacht.

In 1774 kregen de Joden van Hasselt van de stadsraad een stuk land buiten de Veenepoort om daar hun doden te begraven.
Na de verwoesting van deze begraafplaats bij een overstroming in 1825 werd een nieuwe dodenakker ingericht.

In 1802 werd een synagoge aan de Ridderstraat ingewijd. De Joodse gemeenschap van Hasselt was arm, rond 1813 waren de meeste gezinshoofden werkzaam als slachter of als handelaar.
Tussen 1820 en 1835 was de economische toestand van de Joodse gemeente van Hasselt zo slecht, dat deze haar zelfstandigheid verloor.
Eind jaren dertig vindt een korte opleving plaats en wordt de synagoge opgeknapt.
In 1853 vervalt de zelfstandigheid van de gemeente opnieuw, maar twintig jaar later herkrijgt Hasselt de zelfstandige status.

Tot aan de Tweede Wereldoorlog blijft Hasselt bestaan als een kleine Joodse gemeente.
Er waren twee genootschappen actief: een begrafenisgenootschap en een vrouwengenootschap voor het onderhoud van de synagoge.

Gedurende de bezettingsjaren is het overgrote deel van de Joodse inwoners van Hasselt gedeporteerd en vermoord. Een enkeling kon onderduiken.
Het synagogegebouw is verloren gegaan, de Torarollen, rituele voorwerpen en het meubilair eveneens.
In 1947 is de Joodse gemeente Hasselt opgeheven en bij die van Zwolle gevoegd.
De begraafplaats wordt tegenwoordig onderhouden door de plaatselijke autoriteiten.
Een Hebreeuwse inscriptie op het oorlogsmonument herinnert aan de vermoorde plaatsgenoten.

Gedurende de 19e eeuw schommelde het aantal Joodse inwoners van Hasselt tussen de 35-40.

Van de 22 grafstenen dragen 7 de naam Keizer/Keijzer en 6 de naam van der Sluis.Een groot gedeelte van de andere namen zijn weer aangetrouwden van deze 2 families, zodat de samenstelling van de kille Hasselt, althans tussen de jaren 1870 en 1940, beperkt schijnt te zijn gebleven tot een handjevol families.

[ Ontleend aan: de website van het Joods Historisch Museum ]
Hellendoorn – Overijssel
In Hellendoorn vormde zich in de tweede helft van de achttiende eeuw een kleine Joodse gemeenschap, die in de loop van de negentiende eeuw langzaam in omvang toenam.

Synagogediensten werden gehouden in een huis aan de Schapenmarkt.
In de kelder van dit huis bevond zich een ritueel bad.

Aanvankelijk begroeven de Hellendoornse Joden hun doden in Raalte,
vanaf 1852 was er een Joodse begraafplaats in gebruik ‘op de Nieuwstad’ aan de huidige Ommerweg.

Tegen het einde van de negentiende eeuw slonk de Joodse gemeenschap weer.
Het is niet bekend wat er met de synagoge gebeurd is.

De plaatselijke overheid draagt zorg voor de begraafplaats, waar tegenwoordig nog een tiental grafstenen zichtbaar is.

[ Bron: website Joods Historisch Museum ]
Ommen – Overijssel
In de eerste helft van de achttiende eeuw vestigden zich de eerste Joden in Ommen en het nabijgelegen stadje Den Ham.
Beide plaatsen hadden rond het midden van de eeuw een Joodse begraafplaats.

Omstreeks 1830 werd Ommen officieel erkend als Joodse gemeente, in 1853 kreeg het de status van Bijkerk.
De synagoge bij de Varssenerpoort werd in 1855 ingewijd, voor die tijd werden de godsdienstoefeningen gehouden in een prive-huis.
De gemeente beschikte inmiddels over drie begraafplaatsen, een in Ommen aan de Dr. A.C. van Raaltestraat, een kleine begraafplaats daterend uit 1840 aan de Margeler Es in Den Ham en een begraafplaats gelegen aan de Vroomshoopseweg in Den Ham.
Vanaf het midden van de negentiende eeuw was er in Ommen een kleine Joodse school.

De meeste Joden van Ommen hielden zich bezig met het slagersvak en de handel.
In het Kasteel Eerde bij Ommen werd in 1934 door de Quakers een school voor Joodse vluchtelingen uit Duitsland opgericht.
Er was een speciale afdeling voor landbouwtraining, als voorbereiding op emigratie naar Palestina.
Leerlingen van die school deden praktijkervaring op bij Ommense boeren.

Tijdens de bezetting vielen de Duitsers in 1941 de Joodse school binnen. De meeste leerlingen en leraren wisten toen nog te ontkomen.
In november 1942 zijn alle Joden uit Ommen naar Westerbork gedeporteerd, behoudens een gezin, dat wist onder te duiken.
De gedeporteerden zijn omgebracht, de meeste in Sobibor.
Tijdens de bezettingsjaren lag bij Ommen een strafkamp voor dwangarbeiders.[Zie steen (94)05].

Na de oorlog is de synagoge verkocht en in 1951 afgebroken.
De Joodse gemeente werd in 1947 officieel bij die van Zwolle gevoegd.
Het blauwe parochet (voorhangsel) voor de Heilige Arke, een gift van de vrouwenvereniging “Chewras Nosjim” aan de Joodse Gemeente Ommen (5677/1916/1917) is bewaard gebleven en bevindt zich in de collectie van Leidse parochot bij de Nederlands Isaelitische Gemeente Leiden.

De begraafplaats wordt onderhouden door plaatselijke overheid van Ommen.
Van de 31 stenen dragen 8 de naam De Haas en 4 de naam De Bruin.
Zowel op de Joodse begraafplaats aan de Dr.A.C. van Raaltestraat als op het Varssenerplein, in de nabijheid van de plaats waar eens de synagoge stond, is een gedenkteken opgericht voor de vermoorde Joodse medeburgers.

De Joodse begraafplaats in Den Ham werd in februari 2005 opgeknapt.

Aantal Joden in Ommen en omgeving:

1809 23
1840 51
1869 72
1899 56
1930 32

[ Bronnen:
1) – boek:-Leidse Parochot-Voor de glorie van de synagoge-Nederlands Israelitische Gemeente Leiden
2) – Joods Historisch Museum-website ]

Ootmarsum – Overijssel
Rond 1700 nam het Joodse leven in Ootmarsum een aanvang met de komst van een vleeshouwer. Deze kreeg toestemming zich in de plaats te vestigen, mits de leden van de gilden niet door zijn activiteiten geschaad zouden worden.

In de loop van de achttiende eeuw groeide de Joodse gemeente van Ootmarsum gestaag. In 1821 kreeg de plaats, met inbegrip van de gemeente Denekamp, de status van zelfstandige Bijkerk.
Het kerkbestuur bestond uit drie personen.

In 1843 werden in Ootmarsum een synagoge en een school gebouwd. Bij een brand in 1859 gingen beide gebouwen verloren. Een jaar later werd een nieuwe synagoge aan de Kloosterstraat ingewijd. In 1904 werd het gebouw gerestaureerd; het plaatselijke vrouwengenootschap zorgde daarbij voor de textiele aankleding en de rituele voorwerpen.

Rond 1786 werd de Joodse begraafplaats op de Kuiperberg, aan de Almelose Straatweg, in gebruik genomen. De oudste bewaarde grafsteen dateert uit 1814, terwijl de meest recente in 1928 geplaatst werd.

Het regulier Joods onderwijs in Ootmarsum hield aan het einde van de negentiende eeuw op te bestaan. De komst van een onderwijzer uit Hardenberg in 1914 leek het Joodse onderwijs nieuw leven in te blazen, maar dat was van korte duur.

De stoffen- en damastfabriek van de familie Bendien, opgericht in 1813, speelde een grote rol in de economische ontwikkeling van Ootmarsum.

In 1924 hield de Joodse gemeente van Ootmarsum op te bestaan en werd bij die van Oldenzaal gevoegd. De synagoge werd in eerst instantie verkocht, vervolgens in 1936 gesloopt.

In december 2001 werd in de Kloosterstraat een monument onthuld ter nagedachtenis aan de Joodse inwoners van Ootmarsum die tijdens de oorlog zijn omgebracht. In het monument zijn een plaquette met namen en de gevelsteen van de voormalige synagoge verwerkt.

De begraafplaats op de Kuiperberg wordt door de plaatselijke overheid onderhouden.
Bij de begraafplaats is een heel bijzonder gedenkteken geplaatst, in doorzichtig perspex, met een in streektaal geschreven gedichtje van de bekende streekateur Willem Wilmink:

“Jodenkerkhof Oatmorsken
Zee laagn daar allang oonden ’t gros
Doo’t tichelweark (*) nog vol in wearking was
Gef God de Heer dat ze niks hebt vernomn
Van wat heur noageslacht is oawekomn”

(*)-doelend op de tichelfabriek die hier destijds in bedrijf was.

Aantal joden in Ootmarsum:
1809  87
1840 100
1869 128
1899 101
1930   6
[ Bronnen:
1) – Joods Historisch Museum-website
2) – voor het gedenkteken: Ben Noach, ter plaatse gefotografeerd ]
Raalte – Overijssel
De eerste Jood in Raalte was Salomon Jacob van Raalte, van wie in 1722 melding werd gemaakt.
Hij was de vader van Lijda Salomons-grafsteen nr. (24)23.

De Joodse gemeente van Raalte ontstond aan het begin van de achttiende eeuw, maar werd pas in 1838 onafhankelijk.
Daarvoor behoorde de kleine plattelandsgemeente tot de Joodse gemeente van Deventer.
De begraafplaats aan de Oude Molenweg werd in 1830 in gebruik genomen en vanaf 1838 was er een synagoge, waarvan de ligging echter onbekend is. In 1889 werd de synagoge aan de Stationstraat ingewijd.

Het kerkbestuur van de Joodse gemeente van Raalte bestond in het begin van de twintigste eeuw uit twee leden.
(M.de Lange, voorzitter en J.Jacobs)
In de dertiger jaren heeft een vijftal joodse vluchtelingen uit Duitsland zich in de plaats gevestigd.

Verreweg het grootste deel van de Joodse bevolking van Raalte is tijdens de bezettingsjaren tussen september 1942 en januari 1944 gedeporteerd en in de kampen in Polen omgekomen. Een enkeling overleefde de oorlog door onder te duiken.
De synagoge werd in 1943 leeggeroofd en vervolgens als opslagplaats gebruikt.
Het is niet bekend wat er met het interieur, de Tora-rollen en de rituele voorwerpen gebeurd is.
Het archief van de joodse gemeente werd door de SS gestolen.

Na de oorlog is de synagoge verkocht.
De Joodse gemeente is in 1947 opgeheven en bij die van Deventer gevoegd.

In 1985 werd aan de muur van de voormalige synagoge een plaquette onthuld ter nagedachtenis aan de gedeporteerde en vermoorde joodse inwoners van Raalte.
De begraafplaats wordt onderhouden door de plaatselijke overheid.
De Meppelse stichting Beth Chaim restaureerde er in de zomer van 2000 een veertigtal grafstenen.

Aantal joden in Raalte:
1748 11
1809  3
1840 30
1869 52
1899 65
1930 46
[ Bronnen:
Website Joods Historisch Museum
– Joods Leven Deventer en Omstreken-H.J. van Baalen (2007) – pag.141-144-ISBN 90-9011706-7 ]
Rijssen – Overijssel
Waarschijnlijk hebben er al in de achttiende eeuw enkele Joden in Rijssen gewoond. 
In het laatste decennium van de eeuw kregen Joodse inwoners van de plaats een begraafplaats toegewezen op De Hagen. In 1813 telde de Joodse gemeenschap acht gezinnen, waarvan de kostwinners als handelaar, vleeshouwer en landbouwer werkzaam waren. De kinderen bezochten de openbare school.
Na 1813 ontstond een georganiseerde gemeente, die in 1830 een synagoge aan de Elsenerstraat liet bouwen.
Acht jaar later verkreeg Rijssen de status van onafhankelijke Joodse gemeente. 
In 1878 werd de oude begraafplaats vervangen door een nieuwe, gelegen op de Brekelt aan de Arend Baanstraat. 
Zeven jaar later werd ook een nieuwe synagoge gebouwd. Aan het begin van de twintigste eeuw bestond het kerkbestuur uit drie leden en was er een godsdienstleraar voor de kinderen. Aan de Wierdensestraat in Rijssen stond een sigarenfabriek van een Joodse eigenaar. De Joden van Rijssen en omgeving zijn tussen november 1942 en april 1943 vrijwel allen gedeporteerd. 
Slechts enkelen keerden terug uit de kampen, een klein aantal wist als onderduiker te overleven. 
De synagoge werd als opslagplaats gebruikt; een deel van de inventaris was naar Almelo overgebracht en bleef daardoor behouden. Na de oorlog werd de synagoge van Rijssen verkocht. De Joodse gemeente werd in 1948 opgeheven en bij die van Almelo werd gevoegd. De begraafplaats aan De Hagen is in 1949 geruimd.
De Joodse begraafplaats aan de Arend Baanstraat wordt tegenwoordig door de plaatselijke overheid onderhouden. In mei 1990 is op de begraafplaats een monument ingericht ter nagedachtenis aan de meer dan honderd Rijssense Joden, die weggevoerd en vermoord werden. 
Aan de gevel van het pand aan de Elsenerstraat 47, waar eens de synagoge gevestigd was, is eind 1998 een gedenkplaat aangebracht. Holten en Nijverdal De oprichting van de Koninklijke Stoomweverij in het nabijgelegen Nijverdal, door de Joodse familie Salomonson, was een belangrijke stimulans voor de economische ontwikkeling van die plaats. 
Ook in Holten werd door dezelfde familie halverwege de negentiende eeuw een bedrijf opgericht, waardoor het aantal Joodse inwoners van de plaats aanzienlijk toenam. 
Een poging om een zelfstandige Joodse gemeente te stichten strandde, maar wel werd in 1921 in Holten een synagoge gebouwd. Deze werd na de oorlog verkocht. Tijdens de Duitse bezetting lag in 1942 in de omgeving van Nijverdal het Joodse werkkamp Twilhaar. 
Nijverdal was tevens de kern van het georganiseerde verzet in Overijssel. 
Bij twaalf gezinnen zijn Joodse kinderen ondergedoken geweest. Hellendoorn In Hellendoorn vormde zich in de tweede helft van de achttiende eeuw een kleine Joodse gemeenschap, die in de loop van de negentiende eeuw langzaam in omvang toenam. 
Synagogediensten werden gehouden in een huis aan de Schapenmarkt. In de kelder van dit huis bevond zich een ritueel bad. 
Aanvankelijk begroeven de Hellendoornse Joden hun doden in Raalte, vanaf 1852 was er een Joodse begraafplaats in gebruik
op de Nieuwstad’ aan de huidige Ommerweg. Desalniettemin bevinden zich op de Joodse begraafplaats van Rijssen een aantal in Hellendoorn overleden personen, dikwijls van jongere leeftijd.Het blijkt dat het hier patienten betreft uit het aldaar gevestigde bekende sanitorium voor TBC leiders.Het is opmerkelijk dat de aangevers van deze overledenen door leden van dezelfde (niet-Joodse) timmerman familie geschiedde, deze familie was klaarblijkelijk nauw verbonden (voor het maken van doodkisten ?) 
aan dit instituut. Tegen het einde van de negentiende eeuw slonk de Joodse gemeenschap weer. 
Het is niet bekend wat er met de synagoge gebeurd is. De plaatselijke overheid draagt zorg voor de begraafplaats, waar tegenwoordig nog een tiental grafstenen zichtbaar is.

[ Bron: ontleend aan het Joods Cultureel Kwartier (het Joods Historisch Museum) – https://jck.nl/nl/page/rijssen ]
Steenwijk – Overijssel
Reeds voor 1700 vestigde het eerste Joodse gezin zich in Steenwijk.
Dit was Abraham Levi die op 21 juni 1695 hiervoor vergunning verkreeg van het stadsbestuur.
Het stadsbestuur trachtte rond 1720 meer Joodse kooplieden naar Steenwijk te halen in een poging om zo de handel te stimuleren.
Aanvankelijk liep dit op niets uit, maar in de loop van de achttiende eeuw vestigden zich er meerdere Joodse gezinnen.

Ook na de burgerlijke gelijkstelling in 1796 ondervonden Joden soms nog belemmeringen wanneer zij zich in Steenwijk wilden vestigen.
Desondanks nam het aantal Joden zowel in het stadje zelf als in de omliggende plaatsen snel toe.

Aan het begin van de negentiende eeuw werden de godsdienstoefeningen gehouden in een prive-huis in Steenwijk.
In 1813 werd een kamer aangekocht in de Gasthuisstraat, die zes jaar later gerenoveerd werd en uitgebreid tot een echte synagoge.

In de vijftiger jaren van de negentiende eeuw leidde een intern conflict over vernieuwingen (het al dan niet toestaan van een koor bij de godsdienstoefeningen) tot een scheuring binnen de gemeente.
Een poging van Opperrabbijn Lehmans tot hereniging hield maar kort stand en het zou tot 1868 duren voordat de gemeente door middel van een compromis weer verenigd zou zijn.
Deze hereniging was aanleiding tot de bouw van een nieuwe grotere synagoge in 1869 eveneens in de Gasthuisstraat, op de hoek van de Kornputsingel.

De kinderen kregen aanvankelijk Joods onderwijs in een lokaal van de stedelijke school, in 1849 werd een eigen schoolgebouw opgetrokken.
Nog in 1917 werd naast de synagoge een nieuwe Joodse school ingericht.
De godsdienstonderwijzers wisselden voortdurend en bleven van 1813 tot de tachtiger jaren van de 19e eeuw maar kort op hun post.
Dit veranderde in 1885 toen Wolf Stokvis werd aangesteld die 44 jaar lang zijn ambt waarnam tot 1929.[Zijn graf is (35)155]

Behalve de kerkenraad, het kerkbestuur en een penningmeester voor het Heilige Land waren in Steenwijk diverse genootschappen en verenigingen voor o.a. het begrafeniswezen, zorg voor het interieur van de synagoge en Torastudie.
De economische situatie van de Steenwijkse Joden was over het algemeen goed, zij waren voornamelijk actief in de (textiel)handel en de vleeshouwerij.
Ook een grote specerijenhandel, nationaal bekend, had een Joodse eigenaar. (B.V.Handelsmaatschappij J.S.Polak).
Bernard Polak, de eigenaar van de firma, was tevens lid van de gemeenteraad van Steenwijk van 1911-1917.[Zijn graf is (35)167]

Tijdens de Duitse bezetting werden in Steenwijk dezelfde anti-Joodse maatregelen genomen als in de rest van ons land.
In september 1942 werd een aantal Joden in een werkkamp bij Staphorst ondergebracht en tewerkgesteld.
Bijna de helft van de Joodse inwoners van Steenwijk heeft de oorlog weten te overleven, meestal in onderduik.
De overigen werden naar de kampen in het Oosten gedeporteerd en zijn daar omgekomen.
De synagoge en het interieur zijn in de oorlog behouden gebleven, ondanks het feit dat het gebouw als opslag gebruikt werd.
Ook de rituele voorwerpen en de Tora-rollen bleven bewaard.

Na de oorlog werd het Joodse leven in Steenwijk korte tijd hervat, maar de synagoge werd niet regelmatig meer gebruikt.
In 1948 werd het gebouw verkocht en uiteindelijk gesloopt.
Een deel van de rituele voorwerpen werd aan het Joods Historisch Museum geschonken.
De Joodse gemeente werd in 1964 opgeheven en bij die van Zwolle gevoegd.

De plaatselijke overheid draagt tegenwoordig zorg voor de Joodse begraafplaats.
Het genealogische onderzoek verbonden aan de digitalisatie van de Steenwijker begraafplaats toonde aan, dat er uitzonderlijke hechte familierelaties bestonden tussen de aldaar begravenen (en waarvan de stenen nog bestaan).
Bijna alle begraven aldaar zijn-wie meer, wie minder-onderling familie van elkaar.

In september 2005 werd op de hoek van de Van den Kornputsingel en de Gasthuisstraat een monument onthuld voor de 51 omgekomen Joodse inwoners van Steenwijk.
In oktober 2007 werd er aan de gevel van een bankgebouw op diezelfde hoek, waar tot 1952 de synagoge stond, een gedenkplaat onthuld ter herinnering aan deze synagoge.

In Willemsoord, een in de jaren twintig van de negentiende eeuw in Steenwijkerwold gestichte armenkolonie, was een aparte Joodse buurt, de Jodenpol genaamd. Deze Joodse gemeenschap, die tussen 1830 en 1890 bestond, had een synagoge, een Joodse school en een begraafplaats, gelegen aan De Pol, nabij de huidige Prins Willem Alexanderstraat. De begraafplaats wordt door de overheid van Steenwijk onderhouden.
Ook in de nabij gelegen plaatsen Oldemarkt en Kuinre woonden gedurende de negentiende eeuw enige Joodse gezinnen.

Aantal Joden in Steenwijk en omgeving:
1795  32
1809  78
1840 284
1869 199
1899 224
1930 123
1951  23
[ Bronnen:
website Joods Historisch Museum
– Pinkas ha-Kehilloth (Hebrew Edition) Holland-Yad Vashem 5745 ISBN 965-308-000-8 ]
Zwartsluis – Overijssel
Aan het einde van de zeventiende eeuw vestigden de eerste Joden zich in Zwartsluis.
Van een georganiseerde Joodse gemeente was al in het begin van de achttiende eeuw sprake.
Deze gemeente kon vanaf 1722 beschikken over een begraafplaats aan de Leeuwarder ofwel Kleine Schans.
Ook de Joden van Meppel begroeven daar hun doden. Het stichtingsjaar van de eerste synagoge is niet bekend, maar het gebouw was in ieder geval al in de achttiende eeuw in gebruik.
Rond het midden van de negentiende eeuw stond het gebouw op instorten en in 1852 werd het verkocht.
Een jaar eerder was een nieuwe synagoge annex studiehuis ingewijd.
Eveneens in 1851 werd een tweede begraafplaats in gebruik genomen.

In de veertiger jaren van de negentiende eeuw werd er een godsdienstschooltje opgericht.
De Joodse gemeente van Zwartsluis werd geleid door twee bestuurders.
Naast een vrouwengenootschap voor onderhoud en aankleding van de synagoge was er een vereniging ter bestudering van de Tora.

Tot het midden van de negentiende eeuw was het meest verbreide beroep onder de Joodse inwoners van Zwartsluis dat van vleeshouwer en ritueel slachter. Tegen het einde van de eeuw waren de meeste Joden werkzaam in de textiel. Gedurende de Duitse bezetting zijn alle 84 toen nog in Zwartsluis woonachtige Joden gedeporteerd, op een enkeling na die kon onderduiken.
Van de gedeporteerden is er een teruggekeerd, de overigen zijn allen omgekomen in de concentratiekampen.
De synagoge werd gebruikt als opslagplaats van meubels uit de huizen van de gedeporteerden. In 1948 is de Joodse gemeente Zwartsluis opgeheven en bij die van Zwolle gevoegd.
De oude begraafplaats in het dorpscentrum is in de tweede helft van de twintigste eeuw geruimd, de begraafplaats aan de Baanstraat wordt door de plaatselijke overheid onderhouden.
In 1984 is hier een herinneringsmonument geplaatst.

[ Bronnen: Joods Cultureel Kwartier en Wikipedia ]