Utrecht

Afgerond onderzoek naar begraafplaatsen in Utrecht

Amersfoort-Bloemendalse Poort – Utrecht
Voor Joods leven in Amersfoort (Opkomst en Bloei) wordt verwezen naar de sectie Amersfoort-Jewish life in Amersfoort bij Akevoth: http://www.dutchjewry.org/amersfoort/jewish_life_in_amersfoort.shtml Een uitgebreid artikel geschreven door Nechama Mayer-Hirsch (in het Engels). Een Nederlandse versie is te vinden op: http://www.geocities.ws/saartje.geo/amersfoort.html Wikipedia geeft over de begraafplaats aan de Bloemendalse Poort:
Joodse begraafplaats (Amersfoort, Bloemendalsestraat, Asjkenazisch) De Joodse begraafplaats ten westen van de Bloemendalsestraat is een begraafplaats die aanvankelijk bedoeld was voor de zogenaamde Hoogduitse of Asjkenazische Joden. Deze begraafplaats is gelegen op een voormalig bolwerk, tegenover de -later in vergetelheid geraakte- begraafplaats voor Sefardische Joden. Nadat de eerste Asjkenazische Joden zich in 1664 in Amersfoort vestigden, kochten zij in 1700 een stuk grond tegenover de begraafplaats voor Sefardische Joden, aan de westzijde van de Bloemendalseweg. Deze begraafplaats bleef in gebruik tot 1883. Hierna begroeven de Amersfoortse Joden hun doden op de Joodse begraafplaats aan de Soesterweg, en deze begraafplaats is tot heden in gebruik. De begraafplaats aan de Bloemendalsestraat is behouden gebleven en bevat een 150-tal staande zerken.

[ Bron: wikipedia ]
Rhenen – Utrecht
De Joodse gemeente te Rhenen heeft gedurende meer dan 281 jaar bestaan, van 1634 tot de definitieve ontbinding op 5 juni 1916. Het was echter immer een kleine gemeenschap in verhouding tot de totale bevolking en verminderde gestadig in aantal al vanaf de het eerste kwartaal van de 19e eeuw. De geschiedschrijving van de Joodse Gemeente wordt gekenmerkt (hoewel er ook rustige periodes waren) door de fricties voortvloeiende uit het eigengereide optreden van “kerkmeester” A.J. van Elburg, de onomstreden alleenheerser van de kille in het eerste kwartaal van de 19e eeuw, die een einde namen na zijn terugtrekken omstreeks 1830, als ook de weigeringen tot fusie en samenwerking met de nabije kehilla van Veenendaal (hetgeen overigens een negatief standpunt van beide killes was).

Eveneens is te noemen de activiteiten rond de renovatie en restauratie van de synagoge in 1867. De kenmerkende familienamen in de teruglopende Joodse gemeente van Rhenen vlak voor en rond de eeuwisseling (19e-20e eeuw) waren Frank,Klein, Swelheim, Lewijt en van Crevel. Van dit alles is niets kenbaar op de ter plaatse bestaande particuliere begraafplaats. Terwijl dus de gemeente de nodige activiteit aan de dag legde voor de oprichting en het voortbestaan van een gebedshuis, is dit nimmer gebeurd voor de aanleg van een begraafplaats voor de gemeente en de overleden gemeenteleden werden begraven op de Joodse begraafplaats te Wageningen.
De slager Jacob Frank (hij zal niet onbemiddeld zijn geweest), die in 1854 vanuit Lienden naar Rhenen verhuisde, kocht in 1891 een stuk grond voor een familiebegraafplaats. Slechts van hem en zijn zonen Abraham David en David zijn de stenen aanwezig. Er is niets dat er op wijst, dat hier anderen dan (deze) familieleden alhier begraven zijn, hoewel klaarblijkelijk in de documenten is aangegeven, dat de bedoeling was, dat ook Joden uit Lienden alhier begraven zouden kunnen worden.
Er moet een metaheirhuisje zijn geweest, dat inmiddels is afgebroken. Op de 2 pilaren aan beide kanten van het ingangshek zijn eveneens 2 stenen ingemetseld: op de linkerpilaar: “De Eerste Steen Gelegd door J.Frank 1 Mei 189? Stichter Eigenaar van deze Begraafplaats” – op de rechterpilaar: – [In het Hebreeuws en Nederlands – Job, hoofdstuk 34, vers 15] “Zoo kwijnt alle vleesch te gader en keert de mensch tot stof weder”

[ Bron:
– “Joods Rhenen 1634 -1916-Verdwenen maar niet vergeten” van Willem H.Strous, uitgegeven door de Historische Vereniging Oudheidkamer Rhenen, maart 2000-ISBN 90-800286-7-3 ]
Veenendaal – Utrecht
Hoewel in het midden van de zeventiende eeuw zich al enkele Joden vestigden in Veenendaal, kwam de bloei van de gemeente, met de daaraan verbonden kentekenen van een georganiseerde gemeente vrij laat, nl. in het midden van de 19e eeuw.
De synagoge, die de huissynagoge verving, werd pas gebouwd in 1852. Een eigen begraafplaats kreeg de gemeente pas in 1899. Tot dan werden de Veenendaalse overledenen begraven in Wageningen, hetgeen gepaard ging met een tocht van meer dan 3 uur.
Er was slechts een kerkbestuur van 3 leden; een vrouwengenootschap werd pas in 1901 opgericht.

De Joodse gemeente werd gekarakteriseerd door een goede integratie en vriendschappelijke omgang met de niet-Joodse bevolking (hetgeen ook in de onderduikperiode tot uiting kwam-in de omgeving van Veenendaal hebben ongeveer honderd joden, voornamelijk afkomstig uit Amsterdam, ondergedoken gezeten) aan de ene kant, en een, ook naar buiten tredende, Joods traditionele en religieuze levenswijze, die haar onderscheidde van de rest van de bevolking,aan de andere kant.

De Joodse families van naam waren o.m. van Essen, van Creveld, Frijda, Vrij, van Aalten en Hijmans.
De van Essens maakten een belangrijk deel uit van de Veenendaalse samenleving en de firma in koloniale waren.
Weduwe N.L.van Essen (van haarzelf Betje van Creveld – steen (39)06), opgericht in 1879, had alom bekendheid.
Een broer van Betje, Mozes van Creveld, was schoonzoon van S.Bottenheim, die in 1861 de Veenendaalsche Stoomspinnerij- en Weverij (V.S.W.) oprichtte, een andere Joodse firma van faam, die een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de plaats leverde. Een bijzondere en publiekelijk actieve figuur was Dr. Aaron Hekster – steen (39)20, een geliefde medicus, die 21 jaar onafgebroken lid was van de gemeenteraad van Veenendaal.

Ondanks de pogingen, bleek na de catastrofe van de tweede wereldoorlog een herleving van de Joodse Gemeente te Veenendaal niet meer mogelijk en was er na 1972 geen sprake meer van Joods gemeenschapsleven.
De Joodse gemeente werd al in 1951 opgeheven en bij die van Utrecht gevoegd.
De synagoge werd in 1967 afgebroken.

[ Ontleend aan:
Het Joods Historisch Museum-website
– en “Geschiedenis van de Joodse Gemeenschap in Stichts en Gelders Veenendaal”-uitgave van de werkgroep Joods Veenendaal-uitgeverij Kool Boeken, Veenendaal Ederveen-ISBN 90644235023-NUGI:-641-pag.144-145 ]
Wijk bij Duurstede – Utrecht
De aanwezigheid van Joden te Wijk bij Duurstede dateert rond het jaar 1671, of mogelijk eerder.
Uit de periode tot einde 18e eeuw is te vermelden, dat de bank van lening van 1674 tot en met 1751onafgebroken in Joodse handen was, al waren er wel soms onenigheden inzake borgen en solventie.
Hoewel er een beeld naar voren komt van woelige perioden van geschillen, zowel tussen de Joodse inwoners onderling als tussen hen en de magistraten, wordt de samenleving met de niet-joodse bevolking gekenmerkt door over het algemeen goede verhoudingen en een veeltallig lidmaatschap van de Joden bij de gilden, voornamelijk bij het kramersgilde, dit in schrille tegenstelling tot de algemeen landelijk bekende situatie, waar de Joden uit de gilden werden geweerd.

De Joden van Wijk bij Duurstede bezaten tenminste vanaf de jaren dertig van de 18e eeuw een begraafplaats), die vermoedelijk tot het eind van de 18e eeuw (of 1776, of 1789, hierover zijn de gegevens niet duidelijk) heeft bestaan, hiervan zijn echter geen sporen teruggevonden.
De twee in het bestand opgenomen begraafplaatsen,onder de codes (44) (“Langs de Wal”) en (45), dateren uit 1817, respectievelijk 1828.
Van de begraafplaats “Langs de Wal” – Hijmanspad (44) staan nog twee stenen overeind. Het is niet duidelijk of aldaar meerdere personen begraven waren en waarvan de stenen zijn verdwenen of die nimmer een grafsteen hebben gehad en ook niet of de Joden van Wijk bij Duurstede gebruik hebben gemaakt van begraafplaatsen elders, zoals Wageningen en Buren.
Deze kanttekening geldt ook voor de tweede, grotere, begraafplaats gecodeerd als (45), waarvan de nog bestaande stenen overwegend behoren tot leden van de familie Hijmans,die in de 19e eeuw een centrale rol speelde in de kille Wijk bij Duurstede en waarvan Godschalk Hijmans,steen nr. (45)02,(1786-1859), lange jaren als manhig (leider) fungeerde.
De laatste begrafenis vond plaats in april 1918.

De Joodse gemeente te Wijk bij Duurstede werd in 1923 ontbonden, en vanaf 1922 had de stad geen Joodse inwoners meer,zodat vanuit deze stad in de jaren 1940-1945 geen Joden rechtstreeks zijn gedeporteerd naar de vernietigingskampen.
Twintig Joden, die in Wijk bij Duurstede geboren waren, werden vanuit elders gedeporteerd en kwamen allen om.

[ Ontleend aan: “Ordentelijke lieden van de Joodsche Natie” bijdragen tot de Joodse Geschiedenis van Wijk bij Duurstede, 1671-1923 van F.E. van Hekelen, J.Becker & R.V. Brilleman – ISBN 90-75207-17-7-Historische Reeks Kromme-Rijngebied 2-1994 ]