Drenthe

Afgerond onderzoek naar begraafplaatsen in Drenthe

Beilen – Drenthe
In Beilen bestond sinds 1850 een georganiseerde Joodse gemeente.
De synagogediensten werden tot 1885 in een klein, oud huis gehouden. In dit jaar werd een nieuwe synagoge ingewijd.
De bouw van de synagoge vond plaats met financiele steun van niet-joodse inwoners, door middel van een loterij, met steun van de burgemeester en zelfs de dominee.
Het was zelfs zo, dat de Christelijke geestelijken in Beilen in hun gemeentes opriepen tot liefdadigheid ten bate van het nieuwe school- en synagogegebouw.
In 1860 werd een begraafplaats aangekocht.Een genootschap droeg zorg voor de begrafenissen.
De Joodse kinderen kregen in dit tijdvak godsdienstonderwijs van een leraar van buiten de plaats.
Na een ambtsperiode van 18 jaar verliet Izak Druif in april 1898 zijn post als godsdienstonderwijzer.
Te oordelen naar de berichten in het Nieuw Israelitisch Weekblad was er daarna op dit gebied weinig stabiliteit in de gemeente.
Tot 1908 werd er melding gemaakt van 4 onderwijzers, waarvan tenminste twee niet langer in dienst waren dan een jaar.
In 1939 werd in de gemeente Beilen het vluchtelingenkamp Westerbork opgericht.
In verband met de grootscheepse deportaties werd de burgerlijke gemeente Hooghalen (waartoe Westerbork behoorde) bij besluit van de Centrale Commissie van het Nederlands-Israelitisch Kerkgenootschap gevoegd bij de Joodse Gemeente Assen.
De burgemeester van Beilen, die medewerking aan de deportaties van zijn Joodse burgers weigerde, werd uit zijn functie gezet, voor twee maanden gevangen gezet en toen uit de provincie Drenthe verbannen.
De inboedel van de synagoge is geroofd en verloren gegaan.
De plaatselijke overheid draagt zorg voor de joodse begraafplaats.
Van de 42 overgebleven stenen zijn de meesten terug te voeren naar de families Kats, Trompetter en Denneboom, hetzij in onderlinge verwantschap, hetzij als aangetrouwden van deze families.

[ Bronnen: Joods Historisch Museum-website
– en het Nieuw Isr. Weekblad, vol. 17(1881), nr. 18, p. [2] van 11-11-1881, e.a. volumes, via de Mediatheek van het Joods Historisch Museum ]
Borger – Drenthe
In Borger leefde aan het begin van de negentiende eeuw een joodse gemeenschap die sinds 1804 onderdeel uitmaakte van de joodse gemeente te Assen.

De begraafplaats was officieel vanaf 1865 in gebruik, maar mogelijkerwijze vonden er ook eerder al begrafenissen plaats.
In 1888 werd de zelfstandige joodse gemeente Borger opgericht.
Al spoedig bleek deze gemeente niet in staat te zijn aan haar financiële verplichtingen te voldoen.
Dit had tot gevolg dat zij in 1925 opgeheven werd en weer deel uit ging maken van de joodse gemeente van Assen.

[ Bron: Joods Historisch Museum(website) ]
Dwingeloo – Drenthe
Rond 1750 woonden er al een paar Joden in Dwingeloo. Aan het begin van de negentiende eeuw, in de Franse tijd, bestond er een georganiseerde en officieel erkende Joodse gemeente.
Van een tiental gezinnen dat toen lid was, was de helft onbemiddeld. Ook de Joodse inwoners van Beilen en Ruinen, samen zeven gezinnen, behoorden tot de gemeente van Dwingeloo.

Tot 1835 gebruikte men een kamer in een herberg voor de godsdienstoefeningen, daarna was de synagoge gevestigd in een gebouw dat tevens onderdak bood aan een smederij.
Deze synagoge werd in 1846 opgeknapt en bleef daarna tot 1923 in gebruik. In dat jaar heeft een brand het gebouw verwoest; er is toen geen nieuwe synagoge meer ingericht.
Het gebruik van de herbergkamer als synagoge zal vermoedelijk het initiatief zijn geweest van de in 1830 overleden Noach Levij ten Brink, genoemd Henoch zoon van Yehuda-steen (145)33, wiens grafsteen uitdrukkelijk vermeldt, dat hij “de stichter van de synagoge ter plaatse” is geweest. De Joodse gemeente had vanaf 1830 de beschikking over een eigen begraafplaats in Dwingelerzand, ook wel de Dwingeler Duinen genoemd.

De Joodse inwoners van Dwingeloo woonden grotendeels dicht bij elkaar en speelden geen belangrijke rol in het openbare leven. Als uitzondering mag genoemd worden de in Auschwitz omgekomen Hijman Lehman Vos [zie ook (145)40], die plaatselijk correspondent was van drie regionale couranten en ook de vergaderingen van de Dwingeler gemeenteraad versloeg.
Namens alle correspondenten van de regionale kranten bood hij op 2 april 1940 de burgemeester bij de opening van het nieuwe gemeentehuis van Dwingeloo een nieuwe voorzittershamer aan. Deze voorzittershamer, voorzien van een inscriptie, wordt nog steeds door de voorzitter van de gemeenteraad gebruikt.

De grootste omvang van de gemeente werd bereikt rond 1870.
Vanaf het begin van de eeuw tot de aanvang van de Tweede Wereldoorlog liep het aantal leden sterk terug.
De enige Joodse vereniging in Dwingeloo was het begrafenisgenootschap.
Tijdens de Duitse bezetting zijn vrijwel alle leden van Joodse gemeenschap in Dwingeloo gedeporteerd en omgekomen in de concentratiekampen.
In 1950 werd de Joodse gemeente van Dwingeloo officieel opgeheven en bij die van Hoogeveen gevoegd.

De Joodse begraafplaats wordt door het plaatselijke bestuur onderhouden, maar is ondanks een verzoek hiertoe niet op de lijst van beschermde monumenten geplaatst.
In 2004 is een parochet afkomstig uit Dwingeloo, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog ontvreemd werd, weer boven water gekomen en overgedragen aan het Joods Historisch Museum.

[ Bron: Joods Historisch Museum met 2 biografische aanvullingen uit eigen onderzoek ]
Emmen – Drenthe
Rond 1840 vestigden de eerste joodse handelaren zich in de turfkolonie Emmen. Aanvankelijk werden zij gerekend tot joodse gemeente van Coevorden, maar hun aantal nam zo snel toe dat Emmen in 1876 door het Nederlands Israelitisch Kerkgenootschap als zelfstandige gemeente erkend werd.

In 1878 werd een synagoge ingericht, die in de volgende decennia nog enige malen vergroot zou worden. De joodse gemeente had van 1885 tot 1915 de beschikking over een eigen begraafplaats. In 1915 werd achter de synagoge een nieuwe begraafplaats in gebruik genomen. Er was in Emmen een joodse godsdienstschool, een studiegenootschap voor mannen en een vrouwengenootschap voor het onderhoud van het synagoge-interieur. In de twintiger jaren van de twintigste eeuw was er ook een joods toneelgroepje actief in Emmen.

Aanvankelijk hielden de meeste joodse inwoners van Emmen zich bezig met de handel tussen de boeren en de stad. Later hadden ze winkels, voornamelijk in de belangrijkste winkelstraat van Emmen. Toch waren de economische omstandigheden niet onverdeeld gunstig, rond de eeuwwisseling was ongeveer een vijfde van de joden in Emmen afhankelijk van ondersteuning.

In 1942, gedurende de bezetting, werd het merendeel van de Emmense joden gedeporteerd naar Polen en vervolgens omgebracht. Enkele tientallen onderduikers overleefden de oorlogsjaren. De synagoge diende als opslagplaats voor joodse bezittingen en is vrijwel onbeschadigd gebleven.

Na de oorlog werd er in Emmen weer een kleine joodse gemeente opgericht, een kleine kille vormend, samen met Coevorden. In 1974 werd de synagoge aan de plaatselijke gemeente verkocht voor een symbolisch bedrag en een jaar later gerestaureerd.Twee witmarmeren gedenkplaten in de synagoge dragen de namen van de 125 omgekomen joodse inwoners van de plaats.

In mei 2000 werd in de straat bij de synagoge een monument onthuld ter nagedachtenis aan de joodse oorlogsslachtoffers. Tijdens Grote Verzoendag van datzelfde jaar werd een bomaanslag gepleegd op de synagoge. Een jaar later werd het gebouw, geheel hersteld, weer ingewijd.

De oude Joodse begraafplaats, hierbij gedigitaliseerd, dateert uit 1885.

Het kleine aantal resterende grafstenen geeft geen beeld van deze relatief actieve gemeente.

De meeste grafzerken zijn terug te voeren naar de families Ten Brink, Overweg en Magnus.
Laatstgenoemde familie was sterk vertegenwoordigd in de Noordelijke provincies (De Noordelijke Data Base van Akevoth bevat 102 personen met de familienaam Magnus) en naar het schijnt, dus ook te Emmen.

Een poging van de genealogische onderzoekers van Akevoth om de bron te vinden van de familienaam Magnus leidde niet tot een duidelijk resultaat.
De meest passende verklaring lijkt te zijn, dat de bron van de naam, via diverse mutaties, is terug te voeren naar Emanuel of Menachem (met Emanuel als voorkeur).
Andere Joodse onderzoekers van de bronnen van Joodse namen geven Gedalyahoe en Menashe als een mogelijkheid, hetgeen door onze expert onwaarschijnlijk wordt geacht.

De mogelijkheid, dat de algemene naam Magnus,afgeleid van de bijnaam van Karel de Grote (Carolus Magnus) of diverse Christelijke heiligen, (de mening van het Martens Instituut en andere niet-Joodse literatuur) ook de bron zou zijn van deze Joodse familienaam, wordt van de hand gewezen.
Emmen (Beatrixstraat) – Drenthe
De Joodse Begraafplaats Beatrixstraat te Emmen is gelegen in het noordwesten van Emmen.

Dit is de nieuwe en tweede Joodse begraafplaats te Emmen. Zoals de naam doet vermoeden gaat het hier om een algemene begraafplaats:
Beatrixstraat, 7811 RG Emmen.

Over Joods Emmen en de eerste oude begraafplaats zie nadere bijzonderheden bij de begraafplaats Emmen, hierboven.
Nieuw-Amsterdam – Drenthe
Het dorp Nieuw-Amsterdam (Veenoord) had vanaf 1899 een eigen synagoge. Hoewel er herhaaldelijke malen bij het N.I.K. een verzoek is ingediend om Nieuw-Amsterdam als zelfstandige gemeente te erkennen is dit niet toegestaan. Wel had het dorp aan de Boerdijk een eigen Joodse begraafplaats, die tegenwoordig onderhouden wordt door de gemeente Sleen. Ook vlak voor de oorlog woonden er nog steeds een redelijk aantal Joden. Onder hen bevonden zich 36 mannen, vrouwen en kinderen die in de jaren dertig uit Duitsland naar Nederland vluchten. De meesten vestigen zich in het dorp Emmen. Ook in het dorp Nieuw-Amsterdam vestigen zich in de loop der jaren enkele tientallen Joden. 

In de dorpen Veenoord (in 1940 nog gemeente Sleen), Emmer-Compascuum en Roswinkel leven en werken ook enkele Joodse gezinnen.

Uit een in de beginjaren van de oorlog uitgevoerde telling blijkt dat het totaal aantal Joden in de gemeente Emmen ruim 200 bedroeg, die een of meerdere Joodse ouders of grootouders hadden.

In de herfst van 1883 neemt Vincent van Gogh gedurende drie maanden zijn intrek in Drenthe. Het landschap maakt een onuitwisbare indruk op de kunstenaar. In die tijd maakt hij diverse schilderijen en schetsen. In het Van Gogh Huis in Nieuw-Amsterdam/Veenoord is de kamer te bezoeken waar Van Gogh logeerde.

[ Bronnen:
Sjoa Drenthe
Drenthe in de oorlog
Route Van Gogh Europe ]
Oosterhesselen en Gees – Drenthe
De Joodse begraafplaats van Gees is een begraafplaats aan de Geeser esch waar de Joodse bevolking van Gees in Drenthe voor 1920 werd begraven.
De Joodse begraafplaats lag op betrekkelijk grote afstand van het dorp aan de Geeser esch tussen de dorpen Gees en Oosterhesselen.

In het dorp Gees woonde in de 19e eeuw een kleine Joodse bevolkingsgroep.
Het waren nakomelingen van een Westfaalse koopman, wiens zoon zich rond 1830 in Gees vestigde.

Er is op de begraafplaats nog slechts 1 grafsteen te vinden. Het is de grafsteen van het echtpaar Mozes Simons en Selina Soosman en hun dochter Roosje Simons.
Andere nazaten van de familie Simons-Soosman zijn al in het begin van de 20e eeuw naar het westen van het land getrokken en in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers in de vernietigingskampen Sobibor en Auschwitz vermoord.

Gees viel onder de Joodse gemeenschap van Coevorden. Zowel het boek Pinkas als de website van het Joods Historisch Museum noemen de plaats Gees niet in hun lijsten.

[ Bron: Wikipedia ]
Rolde – Drenthe
Rond 1785 vestigde zich vanuit Duitsland de eerste Jood in Rolde: Mozes Lezer, die werd gevolgd door anderen.
De Rolder Joden behoorden tot de synagoge van Assen. In 1846 werden zes Rolder Joden aangeslagen: [Bron: K. Koopmans in: Geschiedenis van Rolde].

Al in 1794 werd een Jood genoemd in het Haardstedengeldregister van Rolde.

Volgens een opgave van Joden in Drenthe waren er in 1811 19 leden in Rolde; tegen 1841 31 leden ‘het hoogste aantal ooit bereikt’.
Begin van de jaren twintig van de vorige eeuw waren er helemaal geen Joden meer in Rolde.

Een inventarisatie van 1937 vermeldt: Te Rolde wonen geen Israelieten meer. Er lagen meer zeer oude steenen.
Thans is er nog slechts 1 zerk, die van Aron Lezer.
Vermoedelijk is dit de laatste begrafenis.
Inwoners van Rolde herinneren zich dat er vroeger drie grafstenen lagen, ook nog lang voor 1937.

Zeker 24 overlijdensaktes van Joodse inwoners waren in de archieven te traceren.

In de tweede wereldoorlog moesten de 3 gezinnen in Rolde wonende families, vluchtelingen uit Duitsland, van in totaal verm.11 personen zich melden en kwamen allen in de vernietingskampen om.

[ Bron: gebaseerd op W. Houtman, in: Geschiedenis van Rolde ]
Ruinen – Drenthe
Terwijl de Joodse Gemeente Ruinen volgens de bronnen samen met de Joodse inwoners van Beilen tot de gemeente Dwingeloo behoorden, hadden de Joden van Ruinen wel een eigen begraafplaats.
Slechts 1 steen is hiervan overgebleven.

Het monument voor de 11 vermoorde Ruinense Joden, onthuld op maandag 20 maart 2006 is echter niet op de Joodse begraafplaats geplaatst maar op de Brink, direct naast de historische Mariakerk.

[ Bron: http://www.stichtingjoodsmonumentruinen.nl/ ]
Sleen – Drenthe
De Joodse gemeente Sleen werd omstreeks 1825 opgericht.
Voordien vielen de Joden uit de plaats onder de gemeente Coevorden.
Er bestond echter in Sleen reeds aan het einde van de achttiende eeuw een begraafplaats, gelegen aan de Boterakkerweg.
De synagoge aan de Straatweg was vanaf 1859 in gebruik.

In 1919 werd de Joodse gemeente van Sleen opgeheven en bij die van Emmen gevoegd.
De bouwvallige synagoge werd verkocht. De plaatselijke overheid draagt tegenwoordig zorg voor de begraafplaats.

In het nabij Sleen gelegen dorp Zweelo woonden vanaf het begin van de negentiende eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog enkele Joodse families.

[Bron: Joods Historisch Museum ]
Smilde – Drenthe
Kort voor 1780 vestigden zich enkele Joden in Smilde, wat gepaard ging met tegenwerking van de plaatselijke bevolking.
Deze problemen duurden tot in de negentiende eeuw voort.
De provinciale autoriteiten moesten nog in 1806 ingrijpen ten gunste van de Joden in Smilde.

De Joodse gemeenschap maakte in de eerste helft van de negentiende eeuw een aanzienlijke groei door en organiseerde zich al voor 1821 tot een godsdienstige gemeente. Officieel verviel deze in 1825, het jaar waarin zij als Bijkerk onder Dwingelo binnen het Nederlands-Israelitisch Kerkgenootschap erkend werd.

In 1846 werd een synagoge gebouwd in Kloosterveen, een van de dorpen waaruit Smilde is samengesteld.
Twee jaar later werd een begraafplaats aangekocht aan de Drentse Hoofdvaart.
Op deze Joodse begraafplaats te Hoogersmilde staan 40 grafstenen. De begraafplaats wordt tegenwoordig door de plaatselijke overheid onderhouden.

Naast een kerkbestuur en een kerkenraad was er in Smilde ook een penningmeester voor het Heilige Land.
Aan de kinderen werd in een schooltje Joods onderwijs gegeven.

In de vijftiger jaren van de negentiende eeuw raakte de Joodse gemeenschap van Smilde korte tijd verdeeld door een intern conflict dat spoedig opgelost werd.
De Joodse inwoners van Smilde waren over het algemeen werkzaam in de handel en de vleeshouwerij.
Daarnaast waren zij ook betrokken bij het maatschappelijk leven in Drenthe en Groningen.

Vanaf de zestiger jaren van de negentiende eeuw nam de Joodse gemeente van Smilde in omvang langzaam af; aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog had zij de facto opgehouden te bestaan.

Tijdens de bezetting zijn vrijwel alle Joodse inwoners van Smilde gedeporteerd en vermoord.
In 1943 werd de Joodse school verbouwd tot woonhuis.
Wat er met het meubilair en de rituele voorwerpen van de synagoge gebeurd is, is niet bekend.
Het gebouw zelf is na de oorlog afgebroken. In 1950 is de Joodse gemeente bij die van Assen gevoegd.

[ Bron: Joods Cultureel Kwartier en Wikipedia.nl ]
Zuidlaren – Drenthe
Zuidlaren werd in 1883 een zelfstandige Joodse gemeente en ruim een jaar later werd er aan de Zuiderstraat een synagoge ingewijd.
Aan de voet van de hunebedden achter de Wolferdinge lag een Joodse begraafplaats.
Er staan nu nog slechts 4 stenen.

De Joden van Zuidlaren waren werkzaam in de handel, het slagersvak en het onderwijs.
In 1925 werd de inmiddels aanzienlijk geslonken Joodse gemeente opgeheven.
Het gebied van Zuidlaren werd ingedeeld bij Assen.

De gedenkplaat voor de in de Tweede Wereldoorlog gedeporteerde en omgebrachte Joodse inwoners van Zuidlaren toont 15 namen.
Enkelingen, die wisten onder te duiken, slaagden er in zo te overleven. Hun aantal is niet bekend.

De begraafplaats wordt beheerd door de plaatselijke overheid.
De restauratie is in mei 2002 voltooid.

Het synagogegebouw kreeg na de oorlog een andere bestemming.
Het gebouw werd in 2005 aangekocht door de Stichting Oude Drentse Kerken, die in 2007 het beheer na restauratie over heeft gedragen aan de Vereniging Behoud Synagoge Zuidlaren.
Het gebouw doet dienst als gebedsruimte voor de Progressief Joodse Gemeente Noord-Nederland – Beth haTsafon.
Daarnaast is het gebouw opengesteld voor bezichtiging en voor culturele doeleinden.

Het aantal Joden in Zuidlaren en omgeving dat in 1809 27 bedroeg steeg naar 82 in 1899 en daalde toen weer naar 25 in 1930.

[ Bron: Joods Historisch Museum
zie ook: Vereniging Behoud Synagoge Zuidlaren ]